Geplaatst door: Steven Heyde do 14 dec

Bouwstenen voor een kwalitatieve leefomgeving:

Tussentijdse resultaten voor de opmaak van de Nationale omgevingsvisie

 

Met de Startnota van de Nationale omgevingsvisie (NOvi) zet de overheid de krijtlijnen uit voor een overkoepelende toekomstvisie op het Nederlandse grondgebied. Daarin werden er 4 strategische opgaven geformuleerd: (1) ‘naar een duurzame en concurrerende economie’, (2) ‘naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving’, (3) ‘naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving’ en (4) ‘naar een waardevolle leefomgeving’. De opgaven zijn in de periode juni-november verder uitgewerkt met interdepartementale Verdiepingsgroepen. Deze blogpost schetst een algemeen beeld van de tussentijdse resultaten voor de opgave ‘naar een waardevolle leefomgeving’. Het adviesbureau Wing begeleidde deze fase voor dit onderdeel en organiseerde onlangs een afsluitende discussie met vakgenoten.

Ongelijksoortige waarden en belangen

Het bestendigen van een waardevolle leefomgeving vereist een afweging van ongelijksoortige waarden en belangen. De bredere maatschappij van inwoners, bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen worden uitgenodigd om, naar eigen inzicht, bij te dragen aan een kwalitatieve leefomgeving. Maar structurele veranderingen voor een kwalitatieve leefomgeving worden ook hardnekkig tegengewerkt waar er bijvoorbeeld conflicterende belangen aan te pas komen. De nationale omgevingsvisie zoekt doelbewust het spanningsveld op over behoud en versterken van wat we nu van belang achten en de noodzaak voor een transitieproces (klimaatverandering, energietransities en economische transities) waarmee we in de toekomst zullen geconfronteerd worden.

Uitgangspunt is de zoektocht naar een integraal afwegingskader waarbij verschillende belangen beter op elkaar worden afgestemd. Omgevingskwaliteit refereert immers naar alles wat we van waarde achten om te behouden en te ontwikkelen voor de toekomst: een landschap met een hoge belevingswaarde, rijk aan cultureel erfgoed, biodiversiteit, een gezond leefmilieu én een robuust economisch concurrentievermogen – een uitdagende opgave, want kansen of moeilijkheden om die uiteenlopende belangen te verzoenen kunnen zich op geheel onverwachte manieren manifesteren.

Vaststaande maatstaven voor ‘omgevingskwaliteit’ zijn er niet. Dat is afhankelijk van de invalshoek waarmee men naar een gebied kijkt alsmede de eigenheid van de opgave en het gebied op zich. Toch zijn er een aantal aanknopingspunten om stappen te zetten naar een betere omgevingskwaliteit zoals geformuleerd in de strategische opgave ‘naar een kwalitatieve leefomgeving’. Een eerste vaststelling is dat het huidige landschap steeds de voedingsbodem moet zijn voor een toekomstbestendig landschap. Regionale en lokale karakteristieken vormen de basisvoorwaarde voor behoud en ontwikkeling van omgevingskwaliteiten.

Een ander resultaat is dat er een aanzet tot een matrixmodel werd ontwikkeld als integraal afwegingskader voor omgevingskwaliteit. Doel is niet om tot een hapklare oplossing te komen voor het abstracte begrip omgevingskwaliteit maar om een tool aan reiken voor overleg over de toekomst van een gebied. De matrix moet altijd per opgave opnieuw met inhoud geladen worden, immers elk gebied is anders en bovendien zullen de verschillende belangen per gebied ook in een verschillende mate doorslaggevend zijn. Bijzonder interessant vond ik dat in deze matrix het begrip ‘toekomstwaarde’ is meegenomen. Hoewel dit bij mij nog vragen oproept van hoe dit een concrete invulling zal krijgen, is het een beloftevolle aanzet om verder te kijken dan de status quo en het ‘vanzelfsprekende’.

De matrix als afwegingskader voor ongelijksoortige waarden en belangen. Copyright Wing

 

Het spanningsveld tussen optimaliseren en transformeren

Datzelfde dilemma tussen behoud en versterken van het bestaande en het faciliteren van meer fundamentele transitieprocessen vormt een leidraad in de resultaten van de opgave ‘naar een waardevolle leefomgeving’. Bij de presentatie van de resultaten ging de discussie vooral over deze twee schijnbaar tegengestelden. Optimaliseren impliceert het doorgaan in de huidige planningstraditie. Dat vertaalt zich meestal in het scheiden van functies en het versterken van die hoofdfunctie. Transformatie stuurt op de inpassing van nieuwe functies en verschillende vormen van meervoudig ruimtegebruik. Om een voorbeeld te geven: optimaliseren van de landbouw kan betekenen verhoging van de productiviteit, terwijl transformatie binnen de landbouw zal gaan over een verandering, zoals het verder toewerken naar een natuur inclusieve landbouw.

Verschillende locaties lenen zich tot andere vormen van ruimtegebruik (bv. mono- of multifunctioneel). Op plekken met uitzonderlijke erfgoed- of natuurwaarden worden deze bestaande functies best zoveel mogelijk behouden en zelfs versterkt (optimalisatie). Andere locaties zijn dan weer geschikt voor een transformatie naar meervoudig ruimtegebruik waarbij verschillende waarden en belangen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd worden. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe landgoederen, natuur inclusieve landbouw, groene recreatie, enz. Beide planningsvormen – eerder mono- of multifunctioneel – zijn dus complementair aan elkaar: zo kan meervoudig ruimtegebruik in de vorm van ‘lichtgroene’ bestemmingen een ruimtelijke buffer vormen rond ‘donkergroene’ bestemmingen.

Meervoudig ruimtegebruik krijgt een belangrijke rol toebedeeld in de nieuwe visie op een waardevolle leefomgeving. Afbeelding: landgoed Lankheet, copyright Steven Heyde

 

Een mooie term die voor deze manier van planning wordt gebruikt is de ‘nieuwe multifunctionele legenda’ waar meervoudig ruimtegebruik (bv. koppeling economie en natuur) ook een belangrijke plek krijgt toegewezen. In het kielzog van de Industriële Revolutie zijn onze landschappen in een belangrijke mate geëvolueerd vanuit het principe van functiescheiding en ruimtelijke schaalvergroting. Wat daarbij hoort is een planning die monofunctioneel landgebruik privilegieert: één kleur voor landbouw, één kleur voor natuur, enz. Met de ‘nieuwe multifunctionele legenda’ komen er nu veelkleurige gebiedsbestemmingen tot stand (bv. landbouw én natuur).

 

Terra incognita

Tot zover ik kon uitmaken vanuit de presentatie over deze fase van ‘naar een waardevolle leefomgeving’ lijkt de Nationale omgevingsvisie misschien wel te leiden tot een boeiende mix van verschillende planningsvormen. Enerzijds conservatie van de omgevingskwaliteiten die we willen koesteren voor de toekomst: erfgoedlandschappen, waardevolle natuur, robuuste economische structuren enz. Anderzijds de beperkingen van een te rigide systeem omzeilen door een fundamenteel andere benaderingswijze zoals gestipuleerd in de nieuwe omgevingswet. Beide uitersten interageren met elkaar en in de praktijk zullen er ontelbare tussengradaties ontstaan.

Een interessant voorbeeld dat tijdens de discussies aan bod kwam was het uitruilen van bestaande groengebieden naar andere locaties. Door een van de aanwezigen op de eindpresentatie werd er een voorbeeld aangehaald van lichtgroene natuur in de omgeving van de stad. Op de bestaande locatie heeft dat specifieke stuk natuur kennelijk weinig waarde. In diezelfde stad zou natuur op een andere locatie een veel groter maatschappelijk rendement leveren en een sleutelrol innemen in een ruimere groenstructuren. Dergelijke transformatieprocessen stuiten tot nog toe op heel wat weerstand, maar zouden dankzij de nieuwe omgevingswet gefaciliteerd moeten worden.

Dit schema illustreert het principe van uitruilen van bestaande groengebieden naar andere locaties om de totale kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Copyright Wing.

 

Wat mij tot slot opviel, is het proces van reflectief en circulair leren uit nieuwe bevindingen dat voorop staat bij de Nationale Omgevingsvisie. Een dergelijk leerproces moet structureel in het beleid ingebouwd worden. De neiging is groot om terug te vallen op ingesleten denkpatronen en gemakshalve oplossingen. In die zin wordt er in het rapport van dit onderdeel gesproken over het benutten van het momentum dat er in de maatschappij aanwezig is. Daarnaast wordt er bepleit om ruimte te creëren voor experimenteren met nieuwe transitieprocessen.

De concrete invulling van de Nationale Omgevingsvisie zal pas volgende jaar vorm krijgen; de verdiepingsfase was bedoeld om daarvoor opties aan te reiken. Ik ben benieuwd hoe straks de verhouding tussen optimalisatie en transformatie verder zal uitgewerkt worden. Hoe ziet u dat? Waar ziet u kansen om de gepresenteerde concepten te vertalen naar de praktijk?

0 Reacties