2 reacties
Geplaatst door: Flip ten Cate Initiatiefnemer Mooiwaarts ma 19 okt

Een nauwgezette reflectie op het Manifest

Ik had graag een doorwrocht essay geschreven over Omgevingskwaliteit en de plek in het Manifest, maar daarvoor ontbreekt me de tijd. Ik geef daarom nu slechts fragmentarisch commentaar op de 1 oktober versie van het manifest.

  • Er worden zeven “opgaven” en vijf “nieuwe principes” beschreven, de opgaven gaan over doelen die we in 2040 willen bereiken (of ruimtelijk relevante vraagstukken die dan moeten zijn opgelost of tenminste geadresseerd), de principes over de manier waarop “we” samen werken aan de omgeving van 2040. Ik ben het er erg mee eens dat Omgevingskwaliteit niet beschreven wordt als doel, maar als manier om met elkaar samen te werken. Ik vind de term ‘principes’ vrij aanvechtbaar. Maar ik vind het vreemd dat ‘gezondheid’ beschreven wordt als doel (is dat iets dat we nu niet hebben en in 2040 willen bereiken), en niet als ‘principe’: m.i. moet je je bij iedere ingreep in de leefomgeving rekenschap geven van de aspecten van volksgezondheid die door het initiatief beïnvloed worden – net als dat je de kans moet grijpen om met het initiatief maatschappelijke meerwaarde te leveren.
  • Ik mis in de “opgaven” een aantal onderwerpen:
    • de intellectuele opgave om onszelf te positioneren in Europa krijgen we maar niet in de vingers. Ik vind het heel vreemd dat we miljarden gestoken hebben in een mislukte aansluiting in het hogesnelheidsnet, terwijl je vanaf Maastricht via een boemeltje naar Luik moet, waar die aansluiting wel bestaat. (Aken idem). Waarom is er geen normale IC-verbinding vanuit de Randstad naar Luik, Aken, Keulen? Van die dingen…
    • resteert na de Vinex, waar mobiliteit en bereikbaarheid centraal stond geen majeur vraagstuk meer? Het onderwerp komt onvoldoende in het manifest terug.
    • Opgave 6 spreekt van het hergebruik van vrijgekomen ruimtes. M.i. is de kern van de krimp in de periferie en de groei in de metropool in het manifest onvoldoende gepakt. Er is een samenhangende visie nodig, die zich ruimtelijk, maar ook bestuurlijk en qua financiële verhoudingen, vertaalt naar de solidariteit en interactie tussen groei en krimp (het verbaast me dat in de vluchtelingencrisis nog niemand gezegd heeft dat er toch zoveel huizen en winkels leegstaan in Zeeuws Vlaanderen…)
    • Dat brengt me op de belangrijkste omissie bij de opgaven. Ook al hebben we het er tegenwoordig iets minder vaak over, het is en blijft een grote opgave om de ruimtelijke condities te scheppen waarin een steeds diversere bevolking (qua afkomst, cultuur, inkomen, etc.) op een elkaar bevruchtende manier kan samenleven.
  • Ten aanzien van de “principes” zou je kunnen zeggen dat de principes 2 en 3 eigenlijk gaan over “beleidsintegratie”: de nieuwe opgave na het voltooien van de wederopbouw is om afscheid te nemen van de functiescheiding en de meerwaarde te zoeken in het integreren, op elkaar betrekken van de verschillende beleidssectoren, in het identificeren van “meekoppelende belangen” (op het niveau van het project in een gebiedsontwikkeling) en via ontwerpend onderzoek + verbinding met de omgevingsactoren optimaliseren van het project en de ontwikkeling. Onder de “meekoppelende belangen” versta ik ook het belang van “schoonheid” in het gebouwde, het belang van gezondheid, milieu- en klimaatbelangen etc. Het resultaat van deze integratie is een groot draagvlak en (daarmee) omgevingskwaliteit.

Hieronder rijpe en groene opmerkingen, zowel tekstueel als inhoudelijk, op de achtereenvolgende pagina’s.

  • “Wij maken Nederland samen” Eerste regel. We staan voor een “leefbaar” Nederland: wat betekent dat? Ik zou zeggen: “aantrekkelijk”
  • …”waar het in 2040 nog steeds goed leven is”… Is dat de ambitie? Nee, we streven naar een Nederland waar de inwoners optimale ontplooiingskansen hebben. [dus: doordat het gezond is, bereikbaar, aantrekkelijk, uitdagend met een goede scholing en ruimte om je vleugels uit te slaan].
  • In de volgende alinea wordt kort gezegd wat er in Nederland verandert. Er lijkt een blinde vlek te zijn voor de ingrijpende verandering in de sociale verhoudingen: onmiskenbaar neemt de spanning in de samenleving toe: de spanning tussen etnische en religieuze groepen, de spanning tussen de machthebbers en degenen die uit zijn op macht [dat zet de bestuurbaarheid onder druk], de spanning tussen experts en degenen die expertise minachten, de spanning tussen arm en rijk. De spanning ook tussen waarde-gedreven afwegingen en waardengedreven afwegingen (tussen meetbaarheid en passie, dus). Deze toenemende spanningen zijn (ook) ruimtelijke uitdagingen.
  • De laatste twee alinea’s van deze pagina zijn me uit het hart gegrepen. Zeer mee eens!
  • Opgave 1: energietransitie. Het aanzien van Nederland zal blijvend veranderen, maar dat betekent ook dat wat we nu in het landschap neerzetten als energielandschap van tijdelijke aard is. Wanneer de innovatie bij opslag en transport van energie toeneemt, opdat dat met veel minder energieverlies gepaard gaat, is de noodzaak voor zonneakkers en grootschalige windmolenparken weer minder. Eric Luiten zei ooit dat de ruimtelijke opgave rond energie misschien wel meer ligt in het aanleggen van het (ondergrondse) distributienetwerk – infrastructuur dus, waar iedereen zijn decentrale productiemachine kan inpluggen, dan in de ruimtelijke verschijningsvormen van de productieparken. Een met deze opgave samenhangend probleem is dat we een eind moeten maken aan de perverse prikkels (lage energieprijzen voor grootverbruikers verhinderen dat zij overstappen van fossiele brandstof op de veel duurdere duurzame energie) zonder de concurrentiekracht te schaden.
  • Opgave 2: hier worden m.i. veel te veel vragen gesteld, en veel te weinig antwoorden gegeven. (“gaat de prioriteit uit naar enkele hotspots, of moeten de minder succesvolle regio’s in het zadel worden geholpen?”) Een Manifest is gen quiz, maar een vlammende stellingname!
  • Opgave 3: ik schreef hierboven al: dit is geen “opgave”, maar en “principe”.
  • Opgave 4. In de formulering van de opgave gaat het fout. De opgave is niet om, zoals bij Nijmegen, een geweldige kwaliteit te leveren (immers: dat is een “principe”, en dat geldt altijd), de opgave is ons te blijven verzekeren van droge voeten, ondanks de dreigingen als gevolg van de klimaatverandering. Die opgave zit in dijkversteviging, maar ook in het tegengaan van zoute kwel, in het tackelen van het probleem dat de zeespiegel zo hoog wordt dat we het rivierwater er niet meer in kunnen laten stromen etc.
  • Opgave 5: ik mis geloof ik wat nu precies de ruimtelijke opgave is. Ik geloof dat die, net als bij de energie-opgave, vooral zit in het garanderen van de infrastructuur – zowel de fysieke (kabels, leidingen, servers, Wi-Fi, etc. etc.), als in de niet-fysieke (scholing, innovatiecultuur, ‘aantrekkelijke leefomgeving’ ook op cultureel en artistiek gebied, ontplooiingskansen, voldoende marktvraag etc.)
  • Opgave 6: voor gebieden waar nog sprake is van enige dynamiek is deze opgave goed verwoord (hoewel ik de alinea over “het is bij uitstek een politieke vraag tot hoever de bemoeienis van de overheid mag gaan” ouderwets vind: het is een 19e Eeuwes opvatting van een overheid; als leegstand de kwaliteit van de leefomgeving nadelig beïnvloedt, is leegstand een publieke zaak – daarover is iedereen het tegenwoordig eens). Het probleem is het grootst in de gebieden waar niemand die vrijgekomen ruimtes wil hergebruiken, op wat voor manier dan ook, en zelfs niet als je gebouw en grond cadeau geeft. Die gebieden zijn er, in Zeeuws Vlaanderen, hier en daar in de achterhoek en Limburg, en als de voortekenen niet bedriegen, dan worden het er meer. Dat is pas een werkelijk grote opgave.
  • Opgave 7: typefout in de titel. Ik heb geen opmerkingen over de tekst – hoewel ik een groot uitroepteken in de kantlijn heb gezet bij de zin: “Omgevingsplannen, gemotiveerd vanuit het publieke belang, zijn het kader voor de vereiste kwaliteit”. Wij zijn bezig met een pilot om nu juist zulke omgevingsplannen te maken: met ‘gezond, veilig en goede omgevingskwaliteit’ als doel, i.p.v. bedrijfscontinuïteit en grondeigendom.
  • Principe 1: maatschappelijke energie benutten. Ik ben erg teleurgesteld in de diepgang van dit stuk. De analyse is gebrekkig en de beschrijving van de verhouding burger-bestuur eveneens. Burgers worden niet actief omdat ze zo graag aan gebiedsontwikkeling doen, maar omdat ze * ondernemend zijn, * zien dat problemen niet effectief worden opgepakt, * de vervreemding te lijf willen door zelf zeggenschap te eisen voor inrichting en ontwikkeling van hun leefomgeving. De initiatieven die hiervan het gevolg zijn (van mandelig eigendom van de boomgaard tot eigen buurtzorg, van moestuintjes tot broedplaatsen in oude fabrieken, van buitenschoolse opvang tot onderlinge verzekering), kunnen niet zonder actieve co-creatie van de overheid. Er ontstaan nieuwe publieke collectieven die het werk van de overheid maar zeer ten dele overnemen, en waar de traditionele overheid op een hoger schaalniveau een rol moet blijven spelen (bijv. t.a.v. de lagenbenadering, in nutsfuncties en infrastructuur, in het ‘schild voor de zwakken’ en het voorkomen van de ‘tragedy of the commons’, in het plannen van ‘massa’ opdat rendabel vervoer mogelijk is etc.)
  • principe 2: wat hier wordt beschreven is goed toepasbaar (en al realiteit) in veel opgaven waar de overheid opdrachtgever is (wegaanleg, ruimte voor de rivier e.d.). De nieuwe opgave, en de Omgevingswet helpt daarbij, is dat ook private initiatiefnemers ontdekken dat het verbinden van hun privaat belang aan andere belangen (schoonheid, ecologie, buurtinitiatieven) leidt tot een maatschappelijke meerwaarde die ten goede komt aan de hele gemeenschap. M.i. zouden de nieuwe Omgevingsplannen zelfs enkelvoudige private initiatieven moeten verbieden, en alleen honoreren als er sprake is van maatschappelijke meerwaarde (de dakkapel daargelaten, uiteraard). Voor deze verbinding van verschillende opgaven en belangen dient het ontwerpend onderzoek als instrument te worden ingezet, en het bevoegd gezag moet bediend worden met adviezen over de mate waarin inderdaad maatschappelijke meerwaarde is bereikt, en welke deelbelangen echt niet in het project gehonoreerd konden worden en dus in de belangenafweging het onderspit delven (en zo nodig gecompenseerd moeten worden)
  • Principe 3. Ik heb erg veel moeite met deze conserverende benadering van “omgevingskwaliteit”. Ik beschouw ieder initiatief als een kans om een kwaliteitsimpuls te leveren, en ik ben ervan overtuigd dat de processen en procedures zo ingericht moeten en kunnen worden dat we daarin slagen. Het is overigens erg lastig om “heldere doelstellingen” ten aanzien van omgevingskwaliteit en cultuurhistorie te formuleren; het zijn geen afrekenbaar doelen, kwaliteit, daar streef je naar, dat meet je niet.
    Ik ben het pertinent oneens met een generiek moratorium op het bouwen in de “open groene ruimte” (wat dat ook moge zijn), maar ik ben het er uiteraard wel mee eens dat in gebieden waar het dichtzetten van de “openheid” zou leiden tot een onaanvaardbaar kwaliteitsverlies, je dat niet zou moeten doen. Ik vind het ook erg jammer dat het succesvolle bufferonebeleid is losgelaten: dat zou ik best terug willen. Hoewel de laatste zin begint met “daarom”, is er in het oorgaande geen begin van een argumentatie geleverd die dwingt tot de geformuleerde conclusie van een moratorium.
  • Principe 4. We hebben onze regels voor Omgevingskwaliteit in het verleden opgeschreven vanuit een defensieve houding: nieuwe ontwikkelingen worden beschouwd als een bedreiging voor de bestaande kwaliteit – zowel de beeldkwaliteit, de cultuurhistorie, de milieukwaliteit en de natuurwaarden. M.i. is die houding contraproductief en niet langer houdbaar. Voortaan hoort de houding offensief te zijn: “wat fijn dat u met uw initiatief een bijdrage komt leveren aan een betere omgevingskwaliteit. Laten we dat samen optimaliseren – door koppeling aan andere belangen, door compensatie van ingrepen in het bestaande milieu, en door respectvol om te gaan met wat je aantreft”.
    Ik geloof niet dat positieve voorbeelden, zoals ruimte voor de rivier, uitzonderingen zijn: ik geloof juist dat ze de eerste stappen in een steeds breder geaccepteerde praktijk zijn. Je ziet het bij snelwegen, maar ook bij gebiedsontwikkelingen (wijk EVA Lanxmeer in Culemborg bijv).
  • De Omgevingswet maakt al de omslag van toetsing aan wat verboden is, naar het stimuleren van het leveren van een bijdrage aan het geformuleerde doel – een gezonde, veilige leefomgeving met een goede kwaliteit (of anders gezegd: de kans tot optimale ontplooiing). Het is zaak de kansen die de Omgevingswet in dezen biedt te grijpen, want luiheid en vasthouden aan juridisch valide bewezen werkwijze lijkt veel aantrekkelijker.
  • Principe 5: geen opmerkingen.
  • Als het gaat over nieuwe praktijken, dan zou ik met enige gêne twee van onze projecten onder de aandacht willen brengen:
    Mooiwaarts probeert de cultuuromslag onder adviseurs, die nodig is om bestuurders te bedienen met integrale adviezen over maatschappelijke meerwaarde, tot stand te brengen. Dat gebeurt door een programma waarin debatcafé ’s uiteindelijk moeten leiden tot een verkenning van de benodigde competenties bij adviseurs (en andere randvoorwaarden) en het formuleren van opleiding en trainingsdoelen.
    Omgevingsplan Op Kwaliteit (OOK), werktitel, probeert in pilots te komen tot radicaal vernieuwende omgevingsplannen, waarin niet het gebruiksstatuut van de grond geregeld wordt, maar waarin ‘gezond, veilig en goede kwaliteit’ het doel is, en de planregels zo geformuleerd zijn dat initiatieven die bijdragen aan dat doel worden gestimuleerd, en initiatieven die er afbreuk aan doen geen kans hebben. Rechtszekerheid over het eigen bezit is geen uitgangspunt, maar afgeleide. OOK is een initiatief van Mooiwaarts, in samenwerking met het Kennislab van Rho adviseurs, Kuiper Compagnons, Croonen5 en Antea, met het Team Ruimtelijke Kwaliteit Nederland, met support en sympathie van VNG, Ministerie van I&M en de Rijksuniversiteit Groningen.

2 Reacties

  • 2015-10-20 06:19:17
    Egbert Broerse
    Ontwerper, Stedenbouwkundige

    Uit het hart gegrepen en zeer to the point verwoord in bovenstaande bijdrage. Dat raakt aan de vraag (die in een ander blokje wel werd aangestipt, maar nog niet in verband wordt gebracht): wie zijn "wij"?

    In de lijst met Landmakers zoek ik tevergeefs naar landbouwers, bouwvakkers, binnenvaartschippers en forensen - danwel hun belangenvertegenwoordigers. Als we dit manifest niet verbreden, dan blijft het begrip "kwaliteit" te eenzijdig om anderen straks mee te nemen in keuzes. Maar uit die groepen komen straks wel de projecten, dus vraag ook hen wat zij (als deel van "wij") als kwaliteiten zien.

  • 2015-10-19 14:44:08
    Anne van Kuijk

    Flip ten Cate benoemt treffend de opgave die ik ook mis in het Manifest en die eigenlijk in het Jaar van de Ruimte als geheel nogal onderbelicht blijft: de betekenis van de steeds diverser wordende bevolking qua leeftijd (meer ouderen), afkomst, leefstijlen, participatiekracht etc. voor de ontwikkeling en vormgeving van onze leefomgeving. Als de aloude definitie van ruimtelijke ordening nog steeds geldt (...de best mogelijke wederkerige afstemming van ruimte en samenleving zulks terwille van de samenleving) dan ligt daar een essentiele opgave die door alle andere opgaven en principes heen gaat.