Geplaatst door: Wij Maken Nederland ma 1 mrt

Interview David Rademacher – Water als gemene deler

Het rurale landschap is een plaats waar veel gebeurt: het is een plaats om te wonen, werken en recreëren. Dit landschap verschilt in dat opzicht niet veel van steden. In landelijke gebieden lijken mens en natuur echter meer met elkaar verweven dan in verstedelijkte gebieden. De natuur neemt een centrale plek in. Tegelijkertijd vervult het platteland ook in de Nederlandse economie de belangrijke rol van landbouw. Landbouw en natuur kunnen echter in sommige gevallen tegenover elkaar komen te staan. Dit is bijvoorbeeld in het Zuid-Limburgse Heuvelland het geval. Door de geografische ligging stroomt het vervuilde landbouwwater door beschermde natuurgebieden en daardoor neemt de biodiversiteit af. Doordat de verschillende betrokken partijen vanuit hun eigen grondbelangen redeneren en handelen, zorgt dit voor een gefragmenteerde en niet-duurzame oplossing. Hierbij ontstaat er een kloof tussen de verschillende partijen (boeren, natuurorganisaties en burger). David Rademacher wil met het project Liquid Commons het problematische water juist gebruiken om verbinding tussen de verschillende partijen te creëren en zo gezamenlijk de kwaliteit van het landschap te verbeteren. Dit project werd ontwikkeld in het kader van de EO-Wijers-prijsvraag. In dit interview laat hij zien hoe hij met zijn initiatief mensen met verschillende belangen juist heeft weten te verbinden en wat je daarvoor precies nodig hebt.

David Rademacher, oprichter en eigenaar van het architectenbureau Rademacher/de Vries Architect, groeide op in een landelijke omgeving, maar bracht ook een deel van zijn jeugd door in de stad. Hij kent beide domeinen dus vanuit zijn persoonlijke leven goed. Ook vanuit zijn professionele carrière houdt hij zich bezig met beide soorten landschappen. Daarnaast spreken de abstractere vraagstukken rondom landschap David aan. “Vragen zoals: ‘Wat is landschap?’ en ‘Wat gebeurt daar?’”, legt David uit. “Het landschap is een domein waarin heel veel samenkomt, waar veel nieuwe processen aan de gang zijn en waar de natuur nieuwe vormen krijgt. Dat snijvlak van natuurlijk en ruimtelijk interesseert mij heel erg. Toen de EO-Wijersprijs 2020 langskwam, waren wij als architectenbureau al verbonden aan Natuurmonumenten. Het was dus ook een beetje een match op dat moment.” Natuurmonumenten is één van de actieve partijen in het gebied en volgens David vinden zij samenwerking met andere partijen de beste manier om hun doelen te behalen.

De deelname aan de EO-Wijerswedstrijd verliep overigens met succes: het project werd verkozen tot de regionale winnaar. Maar wat houdt het project nu precies in? David vertelt dat ze bij Liquid Commons uitgaan van natuurlijke stroomgebieden als de belangrijkste schaal om nieuwe vormen van duurzame landbouw en samenwerkingsverbanden voor het landelijk gebied te ontwerpen en te ontwikkelen. Het ontwerp bevat een combinatie van kleinere hydrologische landschappelijke ingrepen in een gemeenschappelijke zone die functioneert als een natuurlijke waterbuffer en filter. Deze zone is gebaseerd op een nieuwe gronddeal en topografische omstandigheden van elk stroomgebied. De hydrologische ingrepen zijn ontworpen op strategische knooppunten in het Liquid Commons-gebied. Door nieuwe openbare waterarchitectuur toe te voegen aan het netwerk van oude putten en kwellen, wordt de zichtbaarheid tussen boeren en natuurorganisaties duidelijk. Het project krijgt daarmee zowel boven- als ondergronds een fysieke uitstraling.

Naast de technische achtergrond van Liquid Commons, wordt binnen het project ook op een bijzondere manier samengewerkt. De naam van het initiatief houdt hier duidelijk verband mee. David: “Liquid Commons gaat uit van water als een middel om bepaalde stakeholders, actoren en mensen die in een landelijk gebied opereren, samen te brengen rond een concreet project. En ‘commons’ verwijst natuurlijk naar het begrip ‘commons’, waarbij bepaalde natuurlijke bronnen worden beheerd door verschillende gebruikers met hetzelfde doel, namelijk dat het niet wordt uitgeput of dat het een ander tekort komt. En gezien de wateropgave leek het ons een mooie toevoeging. Daarnaast speelde ook het idee dat de overheid niet langer het ‘commons’ principe beheert, maar dat het moet gebeuren vanuit allerlei soorten partners, zowel publiek als privaat.”

Gemeenschappelijke vijand

Liquid Commons ontstond aanvankelijk uit de samenwerking tussen Natuurmonumenten en het architectenbureau van David. Daar is vervolgens het Waterschap bij aangehaakt en nu wordt verbinding gezocht met lokale boeren. Die samenwerking is niet vanzelfsprekend. David: “Iedereen weet dat de agrariërs en de natuurbeheerders soms lijnrecht tegenover elkaar staan. Dat is waarom we juist water als centraal thema hebben gekozen, want dat is een gedeeld probleem. Enerzijds voor de mensen die zich met natuur bezighouden, in verband met de biodiversiteit, en anderzijds voor de boeren, die het water vervuilen met nitraten. Die boeren gaan namelijk waterproblemen ondervinden door droogte. Hierdoor kunnen hun gewassen minder goed groeien, de productie neemt en af en de verdiensten dus ook.”

Hoe David het allemaal uitlegt, lijkt het eenvoudig, maar de vraag is of het in de praktijk daadwerkelijk zo soepel verloopt. Waar liggen de uitdagingen? David: “De uitdaging was: hoe vind je iets waardoor je die twee partijen gemeenschappelijk het probleem te laten tackelen, en waarbij ze ook een onderhandelingsruimte/podium hebben waar ze met elkaar in gesprek kunnen gaan? Je verbindt die partijen door een gemeenschappelijke vijand te benoemen. Dat wil nog niet zeggen dat ze dan gaan samenwerken, want het moet ook economisch kloppen. Deze organisaties moeten namelijk aan het eind van het jaar in de zwarte cijfers staan. Hoewel de agrarische tak zuiver economische belangen heeft, merk je wel dat er heel veel good will is om betrokken te zijn en erkenning te krijgen in de omgeving. Dat is een punt waarop je de boeren kan laten aanhaken, als zij het gevoel hebben dat ze niet alleen de boeman zijn.” David laat hiermee zien hoe ervoor wordt gezorgd dat de verschillende partijen zich gehoord voelen. Hoewel zij op het eerste oog tegenstrijdige belangen lijken te hebben, zijn zij toch bereid om met elkaar om de tafel te gaan en gezamenlijk over een oplossing na te denken als ze als gelijkwaardige partner worden neergezet.

Niet hangen op de overheid

Waar andere bewonersinitiatieven vaak hulp zoeken bij de overheid, om bijvoorbeeld verbinding te maken met andere partijen, probeert Liquid Commons dit vooralsnog te beperken tot een minimum. David legt uit: “Het uitgangspunt was om niet te hangen op de overheid. We wilden een project hebben dat op zichzelf kan staan: ‘the coalition of the willing’, zoals dat wel eens genoemd wordt. De mensen die ermee aan de slag willen gaan, kunnen deelnemen.” Toch ziet ook David nog wel een rol voor de overheid weggelegd: “De overheid kan het natuurlijk wel faciliteren door wetgeving te maken die soepeler is, of juridisch experimenteerruimte te maken. Dat zouden de eerste contouren van een overheidsbijdrage kunnen zijn. Ze zijn nu ook bezig met een landschapsfonds om bepaalde project te ondersteunen en andere partijen erop aan te laten haken, dus ze faciliteren wel. Ook in de toekomst, als Liquid Commons groter wordt, als wij gaan opschalen, dan zie ik een grote taak voor de overheid weggelegd in het faciliteren.” David signaleert ook dat er meer bewustheid is bij de overheid, vooral in de NOVI, om juist te zoeken naar initiatieven die worden opgezet vanuit de samenleving. Het faciliteren van experimenteerruimte, of podia om verschillende partijen samen te laten, zoals bijvoorbeeld het organiseren de Stadmaakweek, ziet hij dan ook als een uitkomst hiervan. Alhoewel David wel graag had gezien dat de Stadmaakweek een ‘Stad- en Landmaakweek’ zou zijn: “In Nederland moet je dat als een geheel zien.” Gelukkig komen er in de Stadmaakweek ook genoeg initiatieven aanbod die stadsgrensoverschrijdend zijn en zich richten op de mens en de natuurlijke omgeving!

Een verrukkelijk landschap

Over het leerproces is David het meest te spreken. “We zijn tevreden dat we echt het principe in een kleine casus hebben kunnen benoemen, kunnen bestuderen en een oplossing ervoor hebben kunnen schetsen. Tegelijkertijd staat deze casus in relatie tot de grotere vraagstukken en structuren in de regio. Dus dat we een heel operationeel mechanische hebben bedacht. Ik kan wel een verrukkelijk landschap schetsen, maar het heeft weinig zin als het niet implementeerbaar is. Dat hebben we gelukkig wel gevonden en het werkt ook nog eens heel goed. Dat getuigt er ook van dat mensen het zien zitten om met een dergelijk pilotproject te beginnen. Daarnaast is er ook veel behoefte vanuit de omgeving en de overheid om ergens bij elkaar te komen, aanknopen te vinden en stappen te maken. En om daar vervolgens ook van te leren en het op te schalen.”

Het is Davids wens dat de principes uit het project kunnen worden toegepast in de praktijk en dat die vervolgens ook in andere pilotprojecten worden toegepast. Dit betekent wel dat organisaties zoals het Waterschap voorbij hun eigen belang moet gaan, vindt David: “er zal toch iemand moeten bewegen, want als het zo sectoraal georganiseerd is zit iedereen alleen maar naar elkaar te kijken. Gelukkig begint het Waterschap nu ook in te zien dat zij daarin nodig zijn.” Hij vervolgt: “De Omgeving gaat door middel van goede projecten, door de tijd heen veranderen en landschapsarchitectuur speelt daarin een hele grote rol.” David sluit af met een advies aan andere initiatieven: “Zorg dat je een club hebt waarmee je aan de slag kan en zorg dat je iets tastbaars hebt, maar dat het wel aan de essentie van een bepaalde problematiek grenst. Dan kan je snel stappen zetten en al experimenterend ontwikkelen.” En het verzamelen van een club om je heen hoeft volgens David niet zo moeilijk te zijn, sterker nog, iedereen is welkom: “Wij verwachten vaak dat boeren en natuurbeheerders het landschap organiseren, maar ook een toeristische ontwikkelaar of een ondernemer kan in deze ‘commons’ meedoen.”

Interview door: Thirza Tiel (Pakhuis de Zwijger)

Tekst: Raoul van Stipriaan Luïscius (Ministerie van BZK, gekoppeld aan de Stadmaakweek)

Datum interview: 19-11-2020

0 Reacties