Geplaatst door: Michel van Dartel Research professor Avans Hogeschool, Senior curator V2_ lab voor de instabiele media vr 29 sep

Menselijke waarden voor technologie


 

Michel van Dartel – Schaduwminister van Digitalisering en Mobiliteit 

 

Mobiliteit dankzij technologie

Het lijken gouden tijden voor onze mobiliteit, want nog nooit verplaatsten we ons fysiek, sociaal en op de arbeidsmarkt zo snel en gemakkelijk als tegenwoordig. Dat danken we met name aan recente ontwikkelingen op het gebied van digitale technologie. En zoals we inmiddels uit ervaring met technologische vooruitgang weten, gaat die doorgaans alleen maar sneller en sneller. Met onze mobiliteit komt het dus wel goed, zou je denken. Wat daarbij echter zo makkelijk vergeten wordt, is dat technologische vernieuwing altijd met een keerzijde komt. Bij snelgroeiende technologische mogelijkheden moet je dan ook altijd goed op je hoede blijven voor evenredig groeiende nadelige effecten. Wat mobiliteit betreft zijn die niet eens zo lastig aan te wijzen.

 

De werkelijke kosten van digitale mobiliteit

Wanneer er weer eens een hype rondom een nieuwe technologie opbloeit, begint de technologie industrie al snel te lijken op dat van de huizenmarkt, met alle risico’s van dien. Als je in startup-land met succes de droom van financiële groei in de toekomst weet te verkopen, dan neemt de ene investeerder in je innovatieve technologie de investering van een ander al snel als voldoende garantie aan om óók in te stappen. Een bijzonder risicovolle constructie, weten we uit andere economische sectoren, die de burger nooit veel goeds bracht. Of een technologische innovatie zelf wat oplevert is ook veel minder belangrijk dan of je er veel gebruikers achter weet te scharen. In dat laatste geval is er namelijk altijd wel een plek om clickbait aan te bieden zodat je je waarde in ieder geval in advertenties waard bent. Wanneer je daar als gebruiker niet van gediend bent, dan betaal je toch gewoon de premium? Al wordt de digitale wereld daarmee steeds meer opgedeeld in een premium deel voor mensen mèt geld en een continue stroom van advertenties voor de rest.

Gelukkig liggen er ook voor de minderbedeelden geweldige nieuwe kansen op de arbeidsmarkt als gevolg van digitale innovatie. Want iedereen kan baas worden over zijn eigen tijd als Uber-chauffeur, Amazon-‘turk’ of Deliveroo bezorger; complete vrijheid om te werken waar en wanneer je maar wilt. Het enige dat je daarvoor in hoeft te leveren is je sociale zekerheid, want de ‘cloudworker’ heeft geen vakbond om collectieve voorwaarden af te dwingen. Maar waarom zou je je daar als gebruiker zorgen om maken? Je chauffeur of bezorger zal immers nooit staken en altijd zeggen hoe geweldig het werk is; anders krijgt hij of zij jouw vijf-sterren beoordeling niet, en dat is natuurlijk niet goed voor de competitie met vakgenoten. Al kunnen we beter spreken van competitie met ‘lotgenoten’, aangezien marktcompetitie op individueel niveau steevast tot onmenselijke efficiëntie leidt. Zo weten we bijvoorbeeld van Amazon-distributiepunten dat de ‘big data’ die zij op de werkvloer verzamelen wordt gebruikt om de efficiëntietargets te bepalen van werknemers die onze bestellingen samenstellen, met een ongekende doorloop in personeel en stress-gerelateerde klachten als gevolg. Geen wonder dat die pakhuizen geen enkel raam hebben en dat Amazon ons online graag de illusie verkoopt dat we met een volledig geautomatiseerd proces te maken hebben. De mens is in dat proces nog slechts een radartje in het geheel; gereduceerd tot een functie en volkomen inwisselbaar. Is dat wat we met ‘digitale mobiliteit’ bedoelen?

En dan heb ik het nog niet eens over sociale mobiliteit gehad, waarin digitalisering altijd een verbindende factor beloofd te zijn, maar steeds vaker ook uitsluiting in de hand blijkt te werken. Een technologische vernieuwing is bijvoorbeeld enkel een stap vooruit voor degenen die zich die luxe kunnen veroorloven, maar een gegarandeerde stap verder achterop voor de rest. Dat zie je goed in het debat rondom privacy, waarop we steevast moeten inleveren in ruil voor betere services. De toegang tot die services wordt echter steeds exclusiever, terwijl de data-oogst steeds veelomvattender wordt. Een oogst die vervolgens wordt gebruikt om mensen te mobiliseren in de richting van producten, services of informatie en hun consumptiegedrag en meningen bewust en onbewust beïnvloedt.

Ook heb ik het enkel nog gehad over de ‘voorkant’ van de technologie industrie, terwijl haar achterkant wordt gekenmerkt door een van de meest vervuilende en mensonterende industrieën die we hebben. Ook die industrie groeit met elke vorm van technologische ‘vooruitgang’, maar de enige mobiliteit die mensen daar zien zijn hun eigen repetitieve bewegingen aan de lopende band.

Het zijn gouden tijden voor de mobiliteit, maar niet per se voor de mens die wordt gemobiliseerd.

 

Andere blik op technologie

De eerste stap naar verbetering is dan ook om te onderkennen dat digitalisering niet automatisch ‘goed’ is. Dat het individu middels digitale technologie meer invloed krijgt op maatschappelijke en economische processen is op zich een positieve ontwikkeling, maar laten we er vooral niet van uitgaan dat digitale innovatie gelijk kan worden gesteld aan vooruitgang voor mens en maatschappij. De politiek zou moeten inzetten op het beter wegen van de positieve en negatieve uitwerkingen van digitalisering, in plaats van zich te laten gebruiken als blinde aanjager ervan. Zulke relativering brengt het potentieel zakelijk succes van innovaties natuurlijk wel in gevaar; de technologie industrie grossiert immers uitsluitend in goed nieuws voor de consument. Mogelijk prikt zij daarmee echter ook direct onwenselijke beursbubbels door en voorkomt zij economische ‘vooruitgang’ van het type moderne slavernij, segregatie en privacy schending.

Een tweede stap zou moeten zijn om innovatiebeleid zo in te richten dat onbedoelde, indirecte en onzichtbare effecten van digitalisering ook daadwerkelijk aan het licht komen. Bij elke innovatiesubsidie zou wat mij betreft dan ook direct een percentage uitgekeerd moeten worden aan een onafhankelijke partij om zulke effecten van de beoogde innovatie in kaart te brengen. Mogelijk dat daarin ook een nieuw financieringsmodel voor specialisten op het gebied van zulke kritische analyse schuilt, want het zijn juist die partijen die de afgelopen jaren flink zijn uitgekleed en werden gezegd dat zij hun diensten maar op de markt moesten gaan aanbieden. Wetenschap, journalistiek en kunst kunnen enkel kritisch zijn wanneer zij een onafhankelijke positie hebben in de samenleving, en het ziet ernaar uit dat we hun onafhankelijkheid van de markt hard nodig gaan hebben om de markt-gedreven digitale innovatie in goede banen te loodsen.

Je hoort het bij deze woorden in Den Haag al donderen; en onze internationale concurrentiepositie dan?! Maar wie heeft ooit bedacht dat we die concurrentie moeten voeren op basis van economisch gewin uit innovatie en niet op het borgen van menselijke waarden in zulke ‘vooruitgang’? Als er iets is waarop we als Europeanen en Nederlanders in de wereld kunnen concurreren is het wel onze kwaliteit van leven, inclusief onze mobiliteit. Daarnaast lijkt me een sector waarin miljarden omgaan en die ons steeds weer verbaast met nieuwe zinnige en minder zinnige gadgets en mogelijkheden me prima in staat om zichzelf van innovatie te voorzien. De overheidsimpulsen kunnen dan weer worden aangewend voor waar zulke impulsen echt nodig zijn; kritische reflectie op wat al die innovatie eigenlijk betekent voor mens en maatschappij.

0 Reacties