Geplaatst door: Wij Maken Nederland ma 16 jan

Next Economy

Aanzet voor een omgevingsvisie

next_economy_HaldaneMartin

Beeld: next economy ©Haldane Martin via Flickr


 

Beschouwingen over de toekomst zijn gebaseerd op wonderen, wensen en waarschijnlijkheden. In dit essay ligt de nadruk op waarschijnlijkheden. We laten wonderen buiten de beschouwing. De wensen zijn ontleend aan de ideeën over de ‘Next Economy’ zoals die door Maarten Hajer tijdens de IABR zijn ontvouwd en inmiddels door anderen zijn aangevuld. De waarschijnlijkheden komen aan bod in een beschouwing over de evolutie van de ‘New Economy’ naar de ‘Next Economy’ en in drie trends die zich nu al aandienen. Om de koppeling met de Nationale Omgevingsvisie te maken stellen we vier aanknopingspunten aan de orde. We sluiten af met een voorzet voor de discussie over de vraag wat de ‘Next Economy’ betekent voor de Nationale Omgevingsvisie en welke aanpak van de overheid daarbij het beste past.

 

Karakteristieken van de ‘Next Economy’

Voor economen is er altijd een ‘Next Economy’. Of dat op dezelfde plek is als de vorige economie houdt hen minder bezig. Ontwikkeling gaat volgens economen in golven: korte golven (conjunctuur) en lange golven (structuur). Stedenbouwkundigen en beleidsmakers gebruiken bij het onderwerp economie een ander perspectief. Het gaat hen om economische uitdagingen die zij vervolgens verbeelden en vertalen naar hoe steden en regio’s in de toekomst er uit gaan zien. Dat levert over het onderwerp ‘Next Economy’ nogal eens een optelsom op van een gezonde, solidaire, productieve, circulaire, inclusieve, energieschone en duurzame stad of regio. Tegenover de verbeeldingskracht van stedenbouwkundigen staat het hechte geloof van economen in concurrentie. Niettemin bestaat er een uitgebreide discussie over de vraag of landen, steden of regio’s eigenlijk wel met elkaar kunnen concurreren. Ook zijn economen het niet met elkaar eens over hoe de ‘Next Economy’ eruit zal zien. Op de keper beschouwd zijn zulke verschillen van mening terug te voeren op politieke, en minder op theoretische uitgangspunten. Zoals bij alle ‘next’ thema’s komt men gauw in politiek vaarwater terecht.

Kunnen we de ‘Next Economy’ kennen? Volgens Maarten Hajer niet (Boonstra, 2016). Volgens Hajer kunnen we er ons wel een voorstelling van maken. En dat moeten we volgens hem ook vooral doen. In zijn ogen zijn beelden overtuigender dan teksten.

De, deels onbekende, beelden moeten naar zijn mening aansluiten op sociale doeleinden die er werkelijk toe doen en die uitnodigen voor experimentele stedenbouw. Bij de verbeelding van de ‘Next Economy legt Hajer de nadruk op sociale aspecten. Hij pleit voor een economie die niet langer waarde onttrekt aan de wereld, maar waarde toevoegt aan lokale gemeenschappen (Hajer, 2015). Dat betekent voor hem een economie die geen CO2 uitstoot, functies combineert in plaats van scheidt, het gezamenlijk gebruik van de publieke ruimte stimuleert en sociale innovatie stelt boven technologische innovatie. Dit markeert volgens hem vier belangrijke trendbreuken met de economie die achter ons ligt. Hajer vindt het bovendien weinig zinvol om een definitie te geven van de ‘Next Economy’. In de ‘Next Economy’ is volgens hem meer dan ooit behoefte aan ‘trial and error’. De ‘Next Economy’ gedijt volgens Hajer in een proefondervindelijke omgeving.

Onze invalshoek sluit aan bij dit laatste door Hajer genoemde punt, zij het dat we meer binnen het economische domein blijven. We kijken naar de ‘Next Economy’ vanuit een evolutionair standpunt. Dat houdt een dynamische zienswijze in die ervan uit gaat dat economische veranderingen het gevolg zijn van het aanpassingsgedrag van producenten en consumenten aan maatschappelijke en technologische veranderingen. Dit gedrag is per definitie suboptimaal, onvoorspelbaar en levert meervoudige uitkomsten op (Boschma et al., 2002). In de evolutionair economische benadering zijn markten en instituties de belangrijkste selectiemechanismen. In dit verband vatten we de overgang van het traditioneel planmatige ruimtelijke ordeningsbeleid naar het huidige meer interactieve omgevingsbeleid op als een potentieel relevante institutionele verandering. De uitwerking van deze overgang, waarbij de dominantie van de publieke sector afneemt, is vooralsnog onbekend.

De meest veilige uitspraak die we in dit verband kunnen doen is dat de economische evolutie naar de ‘Next Economy’ geleidelijk zal verlopen en dat menig kenmerk van de huidige economie herkenbaar zal blijven in de volgende economie. De transitie naar de ‘Next Economy’ is inderdaad al begonnen (Loorbach, 2016)

Een punt van continuïteit is dat de ‘Next Economy’ een sociale markteconomie is waarin financiële en maatschappelijke doeleinden beide van belang zullen zijn. Ook in het economische proces zal het er niet echt fundamenteel anders aan toe gaan. Marktverhoudingen tussen vraag en aanbod blijven bepalen wat er economisch gebeurt en de overheid blijft in haar sociaaleconomische beleid streven naar optimalisatie van welvaart voor zoveel mogelijk mensen. Er is en blijft in dat opzicht sprake van spreidingsbeleid en niet alleen in ruimtelijk opzicht. Wel zullen kennis, vaardigheden en ondernemerschap nog belangrijker worden en zal het welvaartsbegrip verder worden verbreed (Boelhouwer, 2016; Universiteit Utrecht/Rabobank, 2016). Het bruto nationaal of regionaal product zal niet langer louter zijn gebaseerd op volume en productiviteit van het bedrijfsleven, maar ook op het welzijn van de bevolking. In de ‘Next Economy’ maken baanzekerheid, onderwijs, gezondheid, milieukwaliteit, huisvesting, veiligheid en zelfs geluk deel uit van het welvaartsbegrip. Deze uitbreiding zal de regionaal economische kaart van Nederland doen veranderen.

Natuurlijk blijft de ruimtelijk hoofdstructuur volgens het vertrouwde Nederlands ruimtelijke metropool concept in tact, maar de regionale welvaartsverschillen daarbinnen kunnen door deze definitieverbreding wel degelijk gaan verschillen. Het is de vraag of dat erg is. Het is bovendien een kwestie van definiëring.

De blijvende indirecte betekenis van ruimtelijke condities voor de economie is een andere constante. Ook in de ‘Next Economy’ is ruimte een noodzakelijk maar geen voldoende voorwaarde voor economische ontwikkeling. Zonder ruimte treedt geen economische ontwikkeling op, maar welke economische ontwikkeling dat is, wordt bepaald door andere omstandigheden dan de ruimtelijke inrichting alleen. Sociaal kapitaal, culturele verbondenheid en organisatievermogen zijn belangrijke contextvariabelen, die regionaal en lokaal verschillen. Het omgevingsbeleid zal er rekening mee moeten houden dat in de ‘Next Economy’ deze ruimtelijke verschillen groter worden. Tegen de stroom in roeien heeft beleidsmatig weinig zin.

The_black_swan_taleb_coverNassim Taleb, auteur van ‘The Black Swan’ (2011), toont aan dat fundamentele doorbraken onkenbaar zijn. Belangrijke innovaties zoals computer, laser en internet zijn niet gepland noch verwacht. Het aantal onzekerheden en technologische toevalstreffers lijkt toe te nemen door de hoge ontwikkelingssnelheid en meer variatie aan toepassingsmogelijkheden. Producten worden steeds heterogener en complexer; er ontstaan steeds meer nichemarkten. Technologie is in de ‘Next Economy’ niet langer een zaak van techneuten. In het interactieve innovatiemodel staat het inspelen op de vraag van de eindgebruiker centraal. Marketing is minstens zo belangrijk als kennis van zaken (de Winter, 2016).

 

Roadmap Next Economy NL versie 1Jeremy Rifkin geeft in zijn boeken ‘The Third Industrial Revolution’ (2011) en ‘The Zero Marginal Cost Society’ (2014) aan dat technologische vernieuwingen zoals kleinschalige bronnen en opslag van hernieuwbare energie, het ‘internet of things’ en elektronische mobiliteit drijvende krachten zijn achter de ‘Next Economy’. Zij zorgen voor een fijnmazig verbonden wereld van ‘communities’, waarbinnen door de beschikbaarheid van ‘big data’ de marginale kosten sterk zijn gereduceerd. Dit laatste biedt commerciële kansen aan grootschalige en wereldomspannende bedrijven zoals nu al Airbnb en Uber laten zien. Ook in de ‘Next Economy’ zullen grootschaligheid en kleinschaligheid hand in hand gaan. De nadruk op kleinschalige oplossingen in beschouwingen over de ‘Next Economy’ is daarom volgens ons eenzijdig. Het handelingsperspectief van producenten en consumenten speelt zich af op zowel lokale schaal als op mondiale schaal en alle niveaus daartussen. In de ‘Next Economy’ zal ruimte in termen van kostenverschillen voor transport, transformatie en transactie steeds minder een beperkende werking hebben. Veel zal overal mogelijk zijn; fysiek dan wel digitaa

In de metropoolregio Rotterdam-Den Haag vormen de ideeën van Rifkin de basis waarop een ‘Roadmap Next Economy’ is ontwikkeld en waarover in 2015 een ‘city deal’ is gesloten tussen regio en rijk. Dit omvat een zich ontwikkelend investeringsprogramma in de medische zorg, voedingsindustrie, energieproductie en maakindustrie. Dit zijn sectoren waarin de metropoolregio Rotterdam-Den Haag gespecialiseerd zou moeten zijn. Afgezien van de consequente nadruk op het vinden van innovatieve duurzame oplossingen en het continu stimuleren van nieuwe bedrijvigheid is het verschil met het traditionele clusterbeleid (transport, energie en ICT) minder groot dan het gebruik van de term ‘Next Economy’ in dit verband doet vermoeden. In de ‘Next Economy’ zal diversificatie belangrijker zijn dan specialisatie. Flexibiliteit is beleids- en bedrijfsmatig dan ook geboden.

We vermoeden verder dat het Topsectorenbeleid, inclusief allerlei regionale Triple Helix varianten, zijn langste tijd heeft gehad. Het Financieel Dagblad van 21 november 2016 meldt dat er in Nederland minstens 350 van zulke initiatieven zijn waarin ondernemers, onderzoekers en overheden gezamenlijk werken aan innovatie. De Utrechtse hoogleraar Ron Boschma stelt in hetzelfde krantenartikel dat deze samenwerking weinig echte innovatie oplevert. Volgens hem zijn zulke ‘clubjes’ goed voor het imago en de reputatie van een gebied, maar niet voor de productiviteit en innovatiegraad van de plaatselijke economie. Samenwerking is er vaak doel op zich, men praat elkaar vaak naar de mond, de belangen van voornamelijk de gevestigde bedrijven worden behartigd en echt innovatieve doorbraken zijn zeldzaam. In de praktijk wordt te vaak alleen naar samenwerking op lokale schaal gekeken en te weinig naar mogelijke samenwerkingen buiten de regio. De kans op een een lock-in neemt dan toe.

Artikel Ron Boschma: ‘Innovatieclubjes zijn vooral goed voor het imago, niet voor het bedrijf’

De ‘Next Economy’ zal minder een clustereconomie zijn, maar vooral een netwerkeconomie. Nieuwe aankomende spelers zoals burgerplatforms en buitenlandse start ups zullen in de ‘Next Economy’ waarschijnlijk het verschil gaan maken. Dit is niet alleen het geval in de maakindustrie maar ook in de diensten. Sommigen spreken in dit verband wel van een ‘Gig Economy’, waarin steeds meer mensen moeten zien rond te komen van het uitvoeren van wisselende opdrachten (Wolfpack, 2016). De variatie in maandelijks inkomen zal daardoor toenemen, evenals het aantal opdrachtgevers. Ook de informele economie en de deeleconomie zullen in de ‘Next Economy’ groeien. Door het toedoen van alle drie neemt de ongelijkheid tussen werkenden toe. Te meer omdat de zekerheid van het hebben van een vaste baan steeds meer verloren gaat. Werknemers zonder baan en ondernemers zonder personeel hebben beiden een eenmanszaak, maar hun positie op de arbeidsmarkt verschilt wezenlijk.

In de “Next Economy’ pakken de begrippen zekerheid en flexibiliteit verschillend uit voor verschillende bevolkingsgroepen. Huidige beroepen en competenties zullen verdwijnen en worden vervangen. De ‘Next Economy’ zal waarschijnlijk meer gerobotiseerd zijn en bovendien meer circulair, energiezuinig en zelfrijdend van aard. Deze transitie zal waarschijnlijk eerst arbeidsintensief verlopen, maar naar verloop van tijd steeds arbeidsextensiever worden. In het begin van de ‘Next Economy’ zal de inzet van zoveel mogelijk potentieel werkenden geboden zijn.

Bovendien is permanente educatie een must in de ‘Next Economy’. Omdat deze transitie geld kost en niet vanzelf van de grond komt, zal de overheid daarbij het voortouw moeten nemen. Afstemming en coördinatie kan het best op Europees en nationaal niveau gebeuren, de uitvoering zal op stedelijk en regionaal niveau moeten plaatsvinden zoals bij het bestrijden van ongelijke uitwerking van onzekerheden en het sluiten van solidariteitsovereenkomsten.

 

 

Economische evolutie: van ‘New Economy’ naar ‘Next Economy’

Veel heeft een voorgeschiedenis, waarvan men kan leren. Zo kwam aan het einde van de vorige eeuw de term ‘New Economy’ in zwang. Ook deze term kende toen voor- en tegenstanders, en niet alleen in de wetenschap. De documentaire ‘Roger and Me’ van Michael Moore laat de overgang van de oude naar de vermeende nieuwe economie mooi zien. Hij vertrekt uit zijn geboorteplaats Flint in Michigan, waar General Motors de ene na de andere fabriek sluit, en verhuist naar Californië, waar het hart zou liggen van de ‘New Economy’. Bij een hippe koffietent kan hij niet kiezen uit de talloze varianten koffie en spreekt de onsterfelijke woorden: “Everybody is busy but nobody seems to be working”.

De Maastrichtse hoogleraar Luc Soete was in Nederland een belangrijkste pleitbezorger van de ‘New Economy’ (Soete & ter Weel, 2005). Hij wees erop dat ‘schaarste’ als economisch kernbegrip in de nieuwe economie aan betekenis zou inboeten. Evenals Rifkin wees Soete erop dat de productiekosten van zoiets als een digitale krant nagenoeg nul zijn, daarbij overigens voorbijgaand aan de personele kosten. Dat heeft te maken met de komst van nieuwe informatie- en communicatie technologie. Of je duizend of een miljoen virtuele kranten uitgeeft, het leidt nauwelijks tot extra kosten noch tot meer gebruik van grondstoffen. Verder werkt in de ‘New Economy’ de markt anders. Waar in de oude economie vraag en aanbodscurven elkaar snijden op een punt nabij de kostprijs, bepalen in de nieuwe economie netwerkexternaliteiten de kostprijs. De waarde van een product neemt exponentieel toe met het aantal gebruikers hetgeen bovendien de komst van nieuwe concurrenten in de weg staat. Kijk maar naar Microsoft.

Ofschoon de financiële crisis in 2008 voor velen aanleiding was alles rondom de ‘New Economy’ weg te honen, zien we daarvan veel terug in de huidige gedachtenvorming rondom de ‘Next Economy’.

Digitalisering zal ook de ontwikkeling van de ‘Next Economy’ bepalen met de versterking van het netwerkkarakter als gevolg. Netwerken die moeten helpen de CO2-uitstoot te verminderen, functies te laten combineren, het gezamenlijk gebruik van de publieke ruimte te stimuleren en de sociale innovatie te versterken.

 

internet penetration_nils Weidmann

© Internettoegang in de wereld, kaart Nils Weidmann

 

Drie trends

Wij stellen voor om drie structurele trends, die hun doorwerking in de ‘Next Economy’ niet zullen missen, te betrekken bij de discussies over het formuleren van omgevingsvisies.

 

1. De uitdijende globalisering heeft zijn beste tijd gehad.

Tijdens het debat over de ‘New Economy’ voltrok zich de derde globaliseringgolf. Steeds meer landen en regio’s raakten economische hechter met elkaar verbonden. Ruim een eeuw eerder ging het tijdens de eerste globaliseringgolf om de wereldwijde industrialisering en de daarmee verband houdende behoefte aan arbeidskrachten (internationale migratie). De tweede globaliseringgolf na de Tweede Wereldoorlog was het resultaat van toenemende exporten en bedrijfsconcentraties (multinationals). De derde globaliseringgolf komt tot stand door het sterk groeiend aantal transnationale ondernemingen. Globalisering en mondialisering is niet langer voorbehouden aan enkel en alleen grote bedrijven. Ook hier is internet een belangrijkste ‘enabling technology’.

Meer lezen over internet gebruik

In de ‘Next Economy’ zal het globaliseringsproces minder expansief, maar vanuit Europees en Nederlands perspectief meer intensief zijn. Globalisering heeft inmiddels de meeste uithoeken van de wereld bereikt. Er valt in geografische zin niet zoveel meer uit te breiden. Ook in economische zin zit er een limiet aan ‘offshoring’. In lage lonen landen gaan geringe arbeidskosten gepaard met geringe productiviteit, laat de kwaliteit van de dienstverlening te wensen over en brengt de welvaartsgroei een verhoging van de arbeidskosten met zich mee.

Nieuwe technologie zoals 3D-printing geeft de aanzet voor ‘re-shoring’. In de zogeheten ‘additive manufacturing’ worden grondstoffen aangevoerd, verschillende stappen in de productieketen overgeslagen en het eindproduct op iedere gewenste locatie gemaakt. Dat zal vaker een ten opzichte van de eindgebruiker gunstig gelegen locatie zijn dan bij de vindplaats van de grondstoffen of in een lage lonen land. De welvarende en kritische westerse consument trekt als het ware deze productie naar zich toe. Dit biedt volop kansen voor nieuwe hoogwaardige industrie in Nederland.

Op beide uiteinden van het politieke en maatschappelijke spectrum (rechts en links) neemt de onvrede over globalisering toe. Het vrije verkeer van mensen, al dan niet als economische vluchteling, staat steeds meer ter discussie. Protectionisme steekt steeds meer de kop op. De ‘winner takes it all’ uitkomst van globalisering staat steeds meer ter discussie. Het zal ondoenlijk blijken te zijn om doelstellingen van democratisering, hyperglobalisatie en de instandhouding van de natiestaat tegelijkertijd na te streven (Rodrik, 2007). Producenten en consumenten zullen in hun marktgedrag steeds vaker de nationale schaal overslaan (Brenner, 1999). Glocalisering zal in de ‘Next Economy’ even gebruikelijk zijn als tegenwoordig. Bedrijfsleven en eindgebruikers zullen zich stedelijk of regionaal gaan organiseren, al of niet in de vorm van een regionale innovatiesysteem of gebruikerscollectief, zoals in ons land via BIZ-projecten (bedrijfsinvesteringszones). De mate van openheid (“transparantie”) is cruciaal voor de innovatiegraad van zulke netwerken. In het omgevingsbeleid zal het de kunst zijn om ‘global pipelines’ gevuld met specifieke kennis van geselecteerde buitenstaanders zo goed mogelijk af te stemmen op de ‘local buzz’ van gedeelde culturele waarden en ‘face2face’ contacten in de regio (Bathelt et al, 2004). Steden en regio’s die dat het beste kunnen, creëren vestigingsvoordelen die elders niet beschikbaar zijn. Stedelijke regio’s hebben vanwege het aantal en de variëteit aan actoren de beste kansen om zulke succesvolle netwerken op te zetten en te onderhouden. Daar levert die samenwerking de meeste meerwaarde op (‘increasing returns’).

Meer lezen over uitdijende globalisering

 

2. Kennis en elites worden in toenemende mate gewantrouwd.

Informatie en kennis zijn de belangrijke productiefactoren in de ‘Next Economy’. Informatiedragers worden steeds meer met elkaar verbonden (‘Internet of Things’) en gevoed met steeds meer gegevens (‘Smart Environments’). Na de efficiëntie wordt nu ook de effectiviteit van ICT-gebruik vergroot. Dit werkt het flexibel en tijdelijk gebruik van hulpbronnen en kapitaalgoederen in de hand. Delen wordt het nieuwe hebben, huren of leasen het nieuwe kopen. Woon-, werk- en mobiliteitsprocessen worden steeds meer geïntegreerd (men werkt vaker thuis, woont meer op het werk en doet beide tijdens het vervoer). Deze processen kunnen bovendien beter worden gemonitord en de informatie daarover wordt continu aan gebruikers doorgegeven. Hierdoor kunnen beter ontmoetingen worden gearrangeerd tegen lagere vervoers- en verblijfskosten.

Het delen van informatie en kennis vindt virtueel en fysiek plaats; dat laatste vooral als men informatie en kennis op persoonlijke wijze wil uitwisselen. Het gaat dan vaak om ‘know how’ (praktijkvaardigheden) en om ‘know who’ (specialisten). Die uitwisseling gebeurt bij uitstek in zogeheten interactiemilieus (De Hoog, 2012). Dergelijke milieus trekken contactgevoelige bedrijven aan, maar of dat daardoor deze bedrijven ook innovatiever en productiever worden is nog maar de vraag. Naarmate het kennisniveau van de informatie groter is, zal men meer moeite doen om de deze informatie te codificeren en via ict te verspreiden. Om de aantrekkelijkheid van dergelijke locaties op peil te houden zal er moeten worden geïnvesteerd in ontmoetingswaarde en belevingswaarde.

Maarten Hajer benadrukt dat het bij uitwisseling van kennis en informatie in wezen gaat om sociale interactie. Burgers en bedrijven in de ‘Next Economy’ zullen, al dan niet gevestigd in interactiemilieus, gemeenschappelijke sociale uitdagingen formuleren en uitspreken waar men als netwerk voor staat. Die uitdagingen moeten niet uit de hoed van deskundigen komen, maar gebaseerd zijn op reële ervaringen, wensen, eisen of ambities van belanghebbenden; zij zijn dan ook de primaire initiatiefnemers (in plaats van de overheid).

Besluitvorming zal zo dicht mogelijk bij direct belanghebbenden georganiseerd gaan worden. De nu gevoerde politieke discussie over meer directe democratie is feitelijk al achterhaald door de maatschappelijke en technologische ontwikkeling. Een wezenlijk nieuwe vorm van democratie, die vele varianten kent, zal in de ‘Next Economy’ gebruikelijk zijn. Volgens de Amerikaanse politiek filosoof Benjamin Barber (2013) kan daadwerkelijke participatie van burgers en bedrijven alleen op lokaal niveau worden georganiseerd. Kenmerkend voor zijn zienswijze is dat hij tegelijkertijd op mondiale schaal pleit voor een ‘Global Parliament of Mayors’. Ook bestuurders zullen in de ‘Next Economy’ op minstens twee borden moeten schaken. Zij zullen in de haarvaten van de samenleving moeten kruipen en met anderen in binnen- en buitenland moeten samenwerken om hun strategische doelen te bereiken. Omgekeerd zal de samenleving zich fundamenteel moeten willen bezig houden met de dilemma’s van het openbaar bestuur. Decentralisering van bestuur is hoe dan ook noodzakelijk om het contact met de samenleving niet definitief te verliezen.

Meer lezen over wantrouwen kennis en elites

 

3. In de Next Economy neemt de economische ongelijkheid toe

Er bestaan verschillende vormen van economisch ongelijkheid, zoals vermogensongelijkheid en inkomensongelijkheid. Volgens Pikkety (2014) is de ongelijkheid op vermogens veel groter dan op inkomen. Daarnaast bestaat er ruimtelijke ongelijkheid, namelijk binnen steden of regio’s (segregatie) en tussen steden en regio’s (welvaart). We spreken van ongelijkheid wanneer er binnen en tussen regio’s verschillen bestaan in de mate waarin bedrijven en bewoners toegang hebben tot voor hen essentiële hulpbronnen en dat zij daardoor fysieke en sociale belemmeringen ondervinden. Het is een politieke en dus normatieve kwestie of men dit een verschil of een ongelijkheid noemt. Sommige politici zullen hameren op het hebben van gelijke kansen, anderen op de voordelige uitkomsten van ongelijkheid.

innovatie_productiemilieus

© Creëer innovatie en Productiemilieus, Kaart: Maak Ruimte, Vereniging Deltametropool

 

De groei van inkomen en vermogen is selectief verdeeld over mensen, waardoor de economische ongelijkheid toeneemt. De meeste studies naar dit onderwerp laten niettemin zien dat economische ongelijkheid tussen landen kleiner wordt en binnen landen groter wordt (OECD, 2011 en 2014, Melanovic 2012). Dit komt voor wat betreft de teruglopende ongelijkheid tussen landen door de zegenrijke gevolgen van globalisering en wat betreft de toenemende ongelijkheid binnen landen doordat mensen met een hoog inkomen en/of een groot vermogen meer geconcentreerd in stedelijke regio’s wonen, en daar bovendien oververtegenwoordigd zijn in bepaalde buurten. Uit internationale vergelijkingen blijkt overigens dat Nederland behoort tot de landen met de geringste economische ongelijkheid (Ponds et al., 2016). In navolging van CPB-onderzoek geven deze auteurs verder aan dat baanpolarisatie en toenemende flexibilisering de twee belangrijkste trends op de arbeidsmarkt zijn die van invloed zijn op de mogelijke toename van economische ongelijkheid in Nederland. We gaan kort na in hoeverre dat in de ‘Next Economy’ eveneens het geval zal zijn.

We verwachten dat in de ‘Next Economy’ de inkomensongelijkheid binnen en tussen regio’s toenemen. Eerder deden we de voorspelling dat de transitie naar de ‘Next Economy’ gepaard zal gaan met de groei van veel (sociaal wenselijke) banen. Dit zijn in hoofdzaak echter niet bepaald dik betaalde banen. Door vergrijzing en door verdere flexibilsering van arbeid zullen vele mensen hun reëel inkomen zien dalen.

De trend naar baanpolarisatie zal zich doorzetten, waarbij banen in vooral het middensegment zullen verdwijnen. Digitalisering van werk leidt waarschijnlijk tot een beperkt verlies aan banen, ook in verhouding tot de nieuwe banen die digitalisering schept. Wel zullen laag- en middelbaar geschoolde beroepskrachten er meer door getroffen worden dan hoog geschoolde beroepskrachten. In de ‘Next Economy’ is permanente educatie van levensbelang om verdere baanpolarisatie tegen te gaan. Kennis zal nog sneller verouderen dan nu en vaardigheden moeten nog vaker worden aangepast Van structurele betekenis is verder dat veel kinderen een slechter toekomstperspectief zullen hebben dan hun ouders. Dat heeft op zich een remmend effect op demografische groei. Zeker in steden, waar een steeds groter deel van de bevolking op compacte wijze bij elkaar woont.

Ook de dagelijkse routines op het werk, de manier waarop het werk wordt georganiseerd en alsmede de aard van de arbeidscontracten zullen veranderen (van Lieshout, 2016). Niet het management maar de medewerkers zelf worden geacht hun kennis op peil te houden. ‘Outsourcing’ van werk zal een nog hogere vlucht nemen. Werkgevers transformeren naar opdrachtgever, werknemers naar contractanten (zzp-er). Dit is niet alleen het geval in de creatieve kenniseconomie, maar ook in de zogeheten ‘service economy’ (Florida, 2002).. Het aantal laaggeschoolde ‘service workers’ in de steden zal stijgen en zij zullen vaker hun diensten aanbieden. Dit maakt steden nog aantrekkelijker voor creatieve kenniswerkers om daar te gaan wonen. De ‘service workers’ zelf hebben ondertussen toenemende moeite om in steden voor hen betaalbare woonruimte te vinden. Binnen stedelijke regio’s zal de segregatie waarschijnlijk groter worden.

Meer lezen over zelfstandigen zonder personeel

 

Over de ongelijkheid op de arbeidsmarkt laat de studie van Ponds et al. (2016) zien dat de kans op werk (= de verhouding tussen alle banen die vanuit een woonplek binnen acceptabele reistijd te bereiken zijn en het aantal mensen dat in potentie concurreert om deze baan) bepalend is voor de mate van arbeidsparticipatie en werkloosheid per gemeente, oftewel voor het aandeel mensen dat wel of geen werk heeft. De studie heeft de gemeenten in de provincie Noord-Brabant als onderwerp, maar de bevinding dat de kans op werk in de afgelopen twintig jaar in positieve zin verschoven is naar kenniscentra zoals Eindhoven en ’s-Hertogenbosch gaat waarschijnlijk ook op voor andere delen van het land. Evenals de conclusie dat het gemiddelde inkomen per persoon het hoogst is in gebieden waar de kans op werk het hoogst is. Waarschijnlijk zullen deze effecten door de blijvende trends van banenpolarisatie en flexibilisering in de ‘Next Economy’ verder toenemen. Dit betekent overigens niet dat de inkomensongelijkheid daardoor toeneemt. Zowel de mate als de ontwikkeling van inkomensgelijkheid blijven door enerzijds de sociale wetgeving (subsidies, toeslagen enz.) en anderzijds de afnemende vermogenswinsten (beleggingen) gering cq. constant. Grosso modo geldt hetzelfde voor Nederland als geheel. In Nederland worden momenteel de rijken niet rijker en de armen niet armer! Ruimtelijk is er ook geen grote en toenemende inkomensongelijkheid. Zo tonen in Noord-Brabant de meeste gemeenten een mediaan gemiddeld inkomensniveau. De ruimtelijke verschillen tussen de Noord-Brabantse gemeenten zijn voor vermogen veel groter dan voor inkomen: er zijn in Noord-Brabant veel rijke (suburbane) gemeenten en veel arme (stedelijke) gemeenten. Maar deze verschillen worden wel kleiner.

2066_001k_clo_04_nl

© Aantal arbeidsplaatsen per gemeente, 2015. Kaart: PBL.


 

Dat we verwachten dat de ruimtelijk inkomensongelijkheid in de ‘Next Economy’ groter zal worden, heeft te maken met de selectiviteit van de binnenlandse verhuizingen. De ruimtelijke verschillen in inkomen en vermogen hangen namelijk samen met het opleidingsniveau van de (beroeps)bevolking. De trek van jonge hoog opgeleiden naar de stad heeft op dit moment een nivellerend effect op deze verschillen: hoogopgeleiden zijn steeds meer oververtegenwoordigd in steden, middelbaar- en laagopgeleiden in suburbane en landelijke gemeenten. Maar als deze ontwikkeling zich doorzet, dan zal in de ‘Next Economy’ de mate van ruimtelijk economische ongelijkheid weer toenemen: veel kansrijke, goed verdienende en vermogende mensen in de steden en het omgekeerde in het ommeland. Binnen steden doet zich bovendien een verdere concentratie voor van welvarende mensen, zodat de segregatie toeneemt. Vrijwillige of spontane segregatie wordt doorgaans minder als ongelijkheid ervaren dan gedwongen segregatie. In het onderzoek van Ponds et al. (2016) is ook gekeken naar indicatoren die horen bij het verbreed welvaartsbegrip. Op dit vlak hebben de steden nog een wereld te winnen. Ze scoren ongunstiger dan het ommeland op de punten gezondheid, eenzaamheid en onderling vertrouwen.

Meer lezen over economische ongelijkheid

 

Aanknopingspunten voor een Nationale Omgevingsvisie

Sinds 2015 werkt de rijksoverheid aan een Nationale Omgevingsvisie. Het is de bedoeling dat die visie in 2018 door het volgende kabinet wordt vastgesteld. De belangrijkste doelen van het omgevingsbeleid zijn om de huidige sectorale versnippering van wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving tegen te gaan en per gebied de hoofdlijnen voor het lange termijn beleid vast te leggen. De Nationale Omgevingsvisie is niet alleen bindend voor het rijk, maar moet uiteindelijk ook doorwerken in de provinciale omgevingsvisies. Volgens ons bieden de verkenning van het thema ‘Next Economy’ de volgende vier aanknopingspunten op voor de Nationale Omgevingsvisie.

1. Versterken van de democratische legitimiteit van het stadsbestuur

De ‘Next Economy’ is vooral een stedelijk fenomeen. Vanuit hun stedelijke standplaats onderhouden bedrijven en mensen netwerken die zich over de gehele wereld uitstrekken. Het nationale niveau zal in de netwerken van de ‘Next Economy’ steeds vaker worden overgeslagen. Als men de gewenste betrokkenheid en participatie van direct betrokkenen bij het opstellen van omgevingsvisies wil bereiken, is het noodzakelijk om de democratische legitimiteit van steden te versterken.

Dit betekent de definitieve breuk met het ruimtelijke ordeningsbeleid zoals we dat in Nederland na de Tweede Wereldoorlog hebben gekend. Niet langer de rijksoverheid als aanjager van het ruimtelijke cq. omgevingsgbeleid, maar de steden zelf. Daarmee wordt in zekere zin de historische cirkel van de Nederlandse planologie gesloten. Ook in de zeventiende eeuw stond de stadsuitleg in het teken van het gezamenlijk vinden van praktische oplossingen en het uitoefenen van effectief gezag door het stadsbestuur (van der Cammen & de Klerk, 2008).

Het stadsbestuur – mits goed georganiseerd – vormt ook in de ‘New Economy’ het meest effectieve niveau om democratische beslissingen te nemen voor grote investeringen in de stad. In Nederland zijn stadsbesturen echter met handen en voeten gebonden aan de beslissingen en financieringsstromen van de Rijksoverheid. In zijn boek ‘De Toekomst van de stad; een pleidooi voor de metropool’ hamert Zef Hemel (2016) diverse keren op de desastreuze gevolgen die de invoering van het Gemeentefonds na de crisis van 1929 heeft gehad voor de stedelijke ontwikkeling in Nederland. Hij verdenkt “Den Haag” er zelfs van het in de ogen van de regering rijke en eigengereide socialistische Amsterdam doelbewust in de wielen te rijden. De rijksoverheid heeft volgens hem deze aanpak na de Tweede Wereldoorlog doorgezet met maar liefst vijf nationale nota’s ruimtelijke ordening die allemaal volgens Hemel een anti-stedelijke doelstelling hebben. Naast deze plannen heeft de rijksoverheid ook via het belastingsysteem een dikke vinger in de pap van de stedelijke ontwikkeling in Nederland. Burgers en bedrijven betalen belasting aan de Rijksoverheid en het Rijk verdeelt een deel van deze opbrengsten over de steden, vaak met strikte voorwaarden waar het aan mag worden besteed. Dit tast de democratische legitimiteit van het stadsbestuur ernstig aan; ze is met handen en voeten gebonden aan de koers van de landelijke politiek. Daarbij is uiteraard ook de invloed vanuit Brussel vooral op sectoraal gebied van toenemend belang. De bandbreedte voor steden wordt mede daardoor sterk ingeperkt.

In tegenstelling tot de meeste buitenlandse steden hebben Nederlandse steden nauwelijks instrumenten om zelf geld te verdienen. De enige substantiële geldbron van de afgelopen decennia, gronduitgifte voor uitbreidingswijken en bedrijventerreinen, is nagenoeg opgedroogd. Sterker nog: menig gemeente heeft forse bedragen moeten afschrijven op bedrijfs- en woningbouwterreinen. Met de formulering van de Nationale Omgevingsvisie ontstaat de kans om de geldstromen binnen de gemeentelijke en nationale overheid kritisch te evalueren en mogelijk te herzien. Het Ministerie van Financiën moet volgens ons de mogelijkheden van een fundamentele herziening van het belastingstelsel onderzoeken. Deze herziening kan niet alleen gaan over de verdeling van de belastingdruk, maar ook over de inning.

Hoe kunnen steden meer bevoegdheid krijgen belasting te heffen op economische prestaties? Is het voorstelbaar dat de BTW opbrengst in de stad blijft waar deze geïnd wordt? Het decentraliseren van de BTW is een eenvoudig instrument om de middelen daar te laten waar de keuzes moeten worden gemaakt. Dit stimuleert steden om in het publieke debat de uitgaven te verantwoorden aan de eigen inwoners.

Meer lezen over democratische legitimiteit van het stadsbestuur

 

2. Accepteren van groeiende verschillen in Nederland

De gememoreerde vijf landelijke nota’s ruimtelijke ordening en het regionaal economisch beleid van de rijksoverheid stonden decennia lang in het teken van spreiding van bevolking, bedrijven en voorzieningen. Sociale rechtvaardigheid in plaats van economische doelmatigheid voerde toen als beleidsdoel de boventoon. Dit heeft juist niet geresulteerd in één compacte grootstedelijke ruimte zoals in Londen en Parijs, maar in een ‘Nederlands ruimtelijk metropool concept van een aantal geschakelde stedelijke kernen met daartussen een diversiteit aan landschappen’ (zie essay ‘Next Farming’). Zef Hemel (2016) ziet het meer als een ‘ijle stadsstaat’ waarvan de ruimtelijke onderdelen te veel op elkaar lijken door hun middelmatige stedelijkheid. De stedelijke kernen missen volgens hem dichtheid, gelaagdheid en complexiteit om hun economische potenties ten volle te benutten. Eigenlijk zouden die stedelijke kernen op eigen wijze hun economie moeten diversifiëren zonder te streven naar complementariteit met de andere stedelijke kernen. Toch is de gedeconcentreerde structuur van de uitgebreide Deltametropool een historisch gegeven. Deze pad afhankelijkheid zal ook in de ‘Next Economy’ van Nederland opgeld doen. We zullen zien dat de economische verschillen tussen de uitgebreide Deltametropool en de rest van Nederland en tussen de ruimtelijke onderdelen van de uitgebreide Deltametropool groter worden.

De tijd van de gelijkwaardige distributie van welvaart tot in de verste uithoeken van ons Koninkrijk ligt definitief achter ons. In de ‘Next Economy’ zijn ruimtelijk economische verschillen en ongelijkheid vanzelfsprekend.

In een Nederland van verschillen valt er wat te kiezen. Besturen van gemeenten en provincies worden gedwongen in hun omgevingsvisies scherper positie te nemen en samen met de bewoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers een duurzame toekomst uit te stippelen die grotendeels op eigen kracht bereikt kan worden.

In succesvolle grote steden ligt het voor de hand te investeren in het accommoderen van economische groei zonder dat het ten kosten gaat van de leefkwaliteit. Hemel (2016) houdt in dit verband een vurig pleidooi voor de herwaardering van het gedachtengoed van Jane Jacobs. Haar benadering van de stedelijke economie gaat niet uit van export maar van import, liever gezegd de substitutie van import. Importsubstitutie is in de woorden van Hemel een soort succesvol kopiëren. De economie van een stad groeit pas wanneer lokale ondernemers erin slagen ‘iets wat elders al bestaat, nu ook zelf te maken en te verkopen … lokale vraag, lokaal ondernemerschap, loon- en transportkosten. bepalen in belangrijke mate of een stedelijke economie tot ontwikkeling komt.’ (Hemel, 2016, p. 90). Grote steden zijn meer geschikt om groei te genereren dan kleine steden vanwege de omvang van de lokale vraag, de diversiteit van de lokale economie en de complexiteit van de netwerken. Steden groeien op basis van een goed functionerend economisch ecosysteem van onderen op en van binnenuit. De verschillen in economische ontwikkeling tussen stedelijke en rurale gebieden zullen toenemen, maar ook tussen de stedelijke en rurale gebieden onderling.

De ‘Next Economy’ neemt op stedelijk niveau waarschijnlijk hybride vormen aan. Het bedrijfsleven en de ondernemers laten zich niet meer vangen op bedrijventerreinen en zijn niet meer op zoek naar monofunctionele kantorenwijken. Wil een omgevingsvisie ruimte bieden voor een sterke ontwikkeling van de stedelijk economie, dan moet er in de wet- en regelgeving meer ruimte komen voor menging van functies, hybride bedrijfsvoeringen en cross-over concepten. De in dit essay genoemde stedelijke interactiemilieus zijn hiervoor bij uitstek geschikt, maar ook op andere plekken zal de ‘Next Economy’ tot bloei komen. Het huidige planologische instrumentarium en de legenda van het bestemmingsplan is echter nog gestoeld op het idee van de moderne stad met een heldere scheiding van functies of de actieve participatie van burgers. In de ‘Next Economy’ zal het echter steeds moeilijker worden om functies van elkaar te onderscheiden. Geen wonder dat de meeste ‘best practices’ voorkomen in gebieden die in transitie zijn, waardoor er onder het mom van tijdelijkheid, opeens wel ruimte is om flexibel met wet- en regelgeving om te gaan. Menging van functies is slechts één van de stedelijke condities waardoor de (oude en nieuwe) economie floreert. Hemel (2016) noemt in het voetspoor van Jane Jacobs chaos, congestie en de afwezigheid van resultaatgerichtheid. Juist de hang naar efficiëntie en orde is volgens hen ‘killing’ voor de stedelijke economie. Toch bestaat er het gevaar dat beide laatstgenoemde punten gaan domineren in de omgevingsvisies die zullen worden opgesteld. Zulke visies zouden volgens ons juist de basis moeten leggen voor een planologisch instrumentarium dat uitnodigt in plaats van uitsluit

Middelgrote en kleine steden moeten het in de ‘Next Economy’ doen zonder de verdelende rechtvaardigheid van de nationale overheid. Ze bezitten te weinig kritische massa om een eigen groeipad uit te stippelen. Zij zullen dus een andere strategie moeten kiezen dan het stimuleren van de eigen endogene groei, namelijk door op regionaal schaal te gaan samenwerken met naburige steden en dorpen.

In plaats van elkaars vliegen af te vangen moeten ze op zoek gaan naar hun gezamenlijke kwaliteiten, sociale structuren, specifieke economische netwerken en leenrelaties. In plaats van inzetten op agglomeratiekracht zal men zijn heil moeten zoeken in netwerkkracht (Platform 31, 2015). In de regionale omgevingsvisies zal men moeten laten zien hoe niet alleen het verdienvermogen van de regio eruit ziet, maar ook het regionale aanpassingsvermogen en de regionale veerkracht. In de regionale omgevingsvisie zal het versterken van synergie op basis van een verbreed welvaartbegrip centraal moeten staan.

Meer lezen over groeiende verschillen in Nederland

 

3. Sturen op kwaliteit

De ‘Next Economy’ drijft op menselijk, kennisintensief kapitaal. Effectief kennis opdoen en informatie uitwisselen vragen om opleiding en sociale vaardigheden. Kenniswerkers hebben een uitgesproken woningvraag. De trek naar de stad bestaat uit verhuisstromen van jonge aankomende kenniswerkers en spijtoptanten die weer het stedelijke woonmilieu opzoeken. Volwassen kenniswerkers willen steeds vaker in de stad blijven wonen. De aantrekkingskracht van steden passen in het verbreed welvaartsbegrip zoals dat van toepassing is op de ‘Next Economy’. ‘Quality of life’ wordt daarmee een steeds meer belangrijke indicator voor een aantrekkelijke en succesvolle stad. Steden met een hoge leefkwaliteit presteren bovendien economisch beter.

Maar door de aantrekkingskracht staat de leefkwaliteit ook vaak onder druk. De uitbreidingsbehoefte bedreigt het aantrekkelijke ommeland, de bereikbaarheid verslechtert en de stad wordt minder toegankelijk voor starters door stijgende grond- en vastgoedprijzen.

De Nederlandse stad is compact, ideaal voor fietsers, goed ontsloten met het openbaar vervoer en vaak gezegend met een aantrekkelijk ommeland met hoge recreatieve en ecologische waarden. Deze kwaliteiten zijn lange tijd door het Rijk geborgd. De recente grote discussie over de Kustvisie toont aan dat er een brede maatschappelijk behoefte is aan een Rijksoverheid die deze collectieve waarden beschermt. En steden hebben dit ook nodig.

Als er geen landschappen zijn die door het Rijk beschermd worden, dan worden steden ook niet gedwongen om inventiever gebruik te maken van het bestaande bebouwde oppervlak. Moeilijke opgaven, zoals herbestemming van bedrijventerreinen en de transformatie van kantoren, hebben alleen maar een kans van slagen als de ruimte in de steden schaars is.

Meer lezen over kwaliteit

 

4. Grenzeloos denken

De ‘Next Economy’ kent geen grenzen. Bewoners en bedrijven begeven zich dwars door allerlei schalen: lokaal, regionaal, nationaal en internationaal. Dit geldt ook voor de netwerken van economische samenwerkingsrelaties en branche- of belangenorganisaties. De mate van openheid van dergelijke netwerken is bepalend voor de innovatiegraad van de ‘Next Economy’. Bij het maken van omgevingsvisies bestaat echter de natuurlijke neiging om vooral te kijken naar de kwaliteiten van het betreffende gebied. Vanuit de sociaal-economische invalshoek is de concurrentiepositie ten opzichte van andere gebieden wel zo interessant. Steden en regio’s moeten eerst weten wie hun concurrenten zijn alvorens hun concurrentiepositie te bepalen.

Stedelijke economieën trekken zich weinig aan van nationale grenzen. Het is in het kader van de Omgevingsvisie bijzonder relevant om te kijken naar grensoverschrijdende allianties. Puur geografisch ligt de Randstad daarvoor ongunstig, al is het de vestigingsregio van de twee belangrijkste mainports de haven van Rotterdam en luchthaven Schiphol. De Brainport Brabant heeft veel baat bij goede verbindingen met het Rheinland en de Vlaamse steden. Hetzelfde geldt voor de Oost-Nederlandse stedelijke as Zwolle-Nijmegen en voor Twente stad met betrekking tot Nordrhein-Westfalen, inclusief het Ruhrgebied. Voor de Euregio Maastricht-Luik-Aken geldt hetzelfde. Deze verbindingen zijn misschien wel belangrijker dan de relaties tussen de stadsregio’s in Nederland. In de nieuwe economie is grensoverschrijdend denken zeer relevant, niet alleen in de vorm van import-export handelsrelaties, maar ook in de synergie van kennisuitwisseling tussen grensoverschrijdende economische clusters.

3_VERBONDEN_DELTA_INTERNATIONAAL-01-01

© Internationale bereikbaarheid is vooral gericht op Randstad en niet op de grensgebieden,
Kaart: Vereniging Deltametropool.

 

 

Een Nationale Omgevingsvisie?

In de ‘Next Economy’ doet iedereen zoveel mogelijk mee. Het zou mooi zijn om een voorschot te nemen op de ‘Next Economy’ door zoveel mogelijk belanghebbenden te betrekken bij de discussies over de Omgevingsvisie. Dat zal nog knap lastig worden en wel om twee redenen. Ten eerste omdat er van het idee van een Nationale Omgevingsvisie een dreiging uitgaat van een hernieuwde top-down sturing van de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. Op de tweede plaats dreigt een discussie over een Nationale Omgevingsvisie het domein van ingewijden te worden. Iets dat ook gebeurde bij het Jaar van de Ruimte. En misschien is dat wel kenmerkend voor de omstandigheden waarbij de overheid de regie wil voeren over maatschappelijke aspecten waarover zij zelf eigenlijk geen (moreel) zeggenschap heeft.

Het is in ieder geval belangrijk om bij het begin van de bedoelde discussie zich af te vragen wat de realiteitszin is van de discussie en niet meteen te gaan bakkeleien over concepten. In dit verband is het verstandig om weer eens het uit 1998 stammende advies van de Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid over ruimtelijk ontwikkelingspolitiek te lezen. Ook dit advies constateert de paradox van het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid, namelijk dat het rijk op basis van enkele centrale ruimtelijke principes (concentratie, samenhang, differentiatie, hiërarchie en rechtvaardigheid) probeert de verstedelijking in Nederland in juiste banen te leiden, maar dat de planologische procedures intrinsiek decentraal van aard zijn.

De WRR adviseerde dus bijna twintig jaar geleden al om generieke ruimtelijke principes af te schaffen en hooguit aan te geven aan welke basiskwaliteiten steden en regio’s moeten voldoen. Bovendien pleitte de WRR om te werken met een drietal regimes annex soorten gebieden: basisgebieden waarvoor geen nationale beleidsbeslissingen nodig zijn, ontwikkelingsgebieden waarvoor provincies enkel de ontwikkelingsopgave stellen en nationale projecten die cruciaal zijn voor de kwaliteit van de ruimtelijke hoofdstructuur (de bedoelde Nederlandse ruimtelijke metropool). Zo bezien kan de rijksoverheid in de Nationale Omgevingsvisie volstaan met het maken van een lijst van nationale projecten, inclusief hun bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van de ruimtelijke hoofdstructuur. In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening is daartoe ook al een poging gedaan.

In de ‘Next Economy’ hebben steden niet alleen een onderling sterk verschillende signatuur, maar staan ook de (geformuleerde) stedelijke ambities vaak mijlen ver af van de realiteit. Er is nogal eens sprake van een ongefundeerd optimisme en van opportunistisch citymarketingbeleid. Roepen dat een stad klaar is voor de ‘Next Economy’ is volgens ons in ieder geval geen goed begin van de discussie. De ‘Next Economy’ is vooral een handelingsperspectief en zeker geen blauwdruk. In dat verband spelen ook de (vermeende) krachten van steden en stedelijke regio’s een toonaangevende rol. Den Haag blijkt dan ‘opeens’ onderdeel te zijn van een ‘security delta’, terwijl de werkgelegenheid toch vooral gedomineerd wordt door de aanwezigheid van de rijksoverheid. Rotterdam, altijd goed voor en toppositie als havenstad, profileert zich als groene stad, vooral geliefd bij de audiovisuele en creatieve industrie! Maar niet alleen steden, ook stedelijke regio’s – metropolen, valleys – afficheren zich opvallend en creatief, maar het is niet altijd even duidelijk op basis van welke feiten en ontwikkelingen die zijn gestoeld. Bij het maken van een omgevingsvisie op welke geografische schaal dan ook moet het doen van ‘evidence based research’ een noodzakelijke voorwaarde zijn.

De ‘Next Economy’ moet het vooral hebben van samenwerking, ook en vooral in digitale zin. Waar die kracht in zit is nog nauwelijks serieus in beeld gebracht. Het lijkt er op dat bij de invulling van omgevingsvisies discussies over allerlei ruimtelijke issues (smart city, duurzaamheid, metropool, borrowed size enz.) vooral een semantische inslag hebben. De roep om scenario’s en regie, structurering en draagvlak lijkt bij dat alles relevant, maar is in wezen een tot mislukken gedoemde poging (van de overheid, maar soms ook van andere stakeholders) om greep op de ontwikkelingen en de uitkomst daarvan te houden. Het contrast tot de sterk veranderende en naar omstandigheden steeds wisselende verhoudingen waarbij de rol van de burger/gebruiker veel meer is dan die van ‘claimer’ wordt steeds schriller. Daarbij komt dat digitalisering zorgt voor verschillende, steeds variërende vormen van samenwerking die zich weinig tot niets aantrekken van geografische of bestuurlijke grenzen.

Opvallend is voorts de enorme mentale afstand die er bestaat tussen beleidsbepalers en ondernemers (laat staan tussen beleidsbepalers en burgers) in dit opzicht. De roep om meer en betere fysieke verbindingen tussen kernsteden en netwerkmetropolen of het aanleggen van bedrijfsterreinen komt nog steeds voort uit het verleden. In de ‘Next Economy’ zou het moeten gaan om adequate, duurzame verbindingen en randvoorwaarden voor dataverkeer! Maar ook om de erkenning van de grote verschillen per locatie, omstandigheden, wensen, behoeften, randvoorwaarden of investeringsmogelijkheden. Op generiek beleid, zeker niet op nationale (laat staan Europese) schaal, zit hoegenaamd niemand te wachten.

De insteek van het omgevingsbeleid is op zich goed, maar de uitkomsten van een Nationale Omgevingsvisie zijn op z’n minst twijfelachtig. De praktijk van stapeling van sectoraal beleid leidt in ons land onvermijdelijk tot juridisch en ruimtelijk gepriegel op de vierkante meter. Mooi dat het omgevingsbeleid daar iets aan wil doen. Maar er is onvoldoende rekening gehouden met de veranderde bestuurlijke verhoudingen in Europa. Uit de studie van Everse en Tennekes (2013) blijkt duidelijk dat er weliswaar een vierde Europese bestuurslaag is ontstaan, maar dat er ook uit Brussel geen integraal ruimtelijk beleid wordt vormgegeven. Ruimtelijk beleid van de EU is een optelsom vanuit verschillende sectoren, zoals infrastructuur, landschap, milieu en economie. De Nederlandse overheid bevindt zich met het omgevingsbeleid in een ingewikkelde spagaat: opschalen levert geen meerwaarde op en er ontbreekt moed om echt te decentraliseren. Zo zien gemeenten – onder aanvoering van de VNG – in de uitvoering van het principe van de wet Eenvoudig Beter.

Het omgevingsrecht is nu al in de praktijk zo complex dat het voor burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven een moeizame tocht wordt om in het ruimtelijk beleid te participeren en te investeren. De cumulatie van beperkingen (restrictiviteit) leidt tot belemmeringen voor projecten (zoals vastgoed) en tot langdurige en kostbare procedures (Hageman, 2016). De flexibiliteit van de ‘Next Economy’ staat hiermee op gespannen voet. De ‘Next Economy’ kan zo bezien heel goed zonder een Nationale Omgevingsvisie.

 

 

 

 

 

 


 

Essayisten:

oedzge_atzema2 CroppedOedzge Atzema

Prof. dr. Oedzge Atzema  is hoogleraar Economische Geografie aan de Universiteit Utrecht en directeur van het Expertisecentrum voor Stedelijke Dynamiek & Duurzaamheid (ESD2) van de UU. Het accent van zijn onderzoek ligt op de betekenis van clustering en netwerkvorming van bedrijven voor de stedelijke economie. Hij is co-auteur van het recente boek Ruimtelijk Economische Dynamiek.

robbert coopsRobbert Coops

Robbert Coops is Sociaal-geograaf en geassocieerd partner bij Winkelman van Hessen.

 

 

8869481_rietbergen CroppedTon van Rietbergen

Ton van Rietbergen is als economisch geograaf werkzaam op de Universiteit Utrecht. Hij schreef columns voor o.a. Het Utrechts Universiteitsblad, het AD/Utrechts Nieuwsblad, De Telegraaf en Ouders van Nu.

 

wouterveldhuis CroppedWouter Veldhuis

Wouter Veldhuis is architect, stedenbouwkundige en directeur bij MUST stedebouw BV, een stedenbouwkundig bureau gespecialiseerd in stedelijke transformatie, inrichting van de openbare ruimte, inpassing van infrastructuur, stad en water, regionaal ontwerp/onderzoek en cartografie. Daarnaast is hij kernlid van het Stad-Forum Amsterdam, een adviesorgaan van de gemeente Amsterdam. Als coördinator is Wouter verantwoordelijk voor het stedenbouwonderwijs aan de Rotterdamse Academie van Bouwkunst.

 

Literatuurlijst

Literatuurlijst

0 Reacties