1 reactie
Geplaatst door: Wij Maken Nederland za 7 jan

Next Energy

Energie-transitie, de ruimtelijke ratificatie van het klimaatbeleid

beeldbankRWSnlSanderdeJong

Noordzee Windpark windturbine Prinses Amalia Windpark, ©Rijkswaterstaat / Sander de Jong

Inleiding

De eerste milieugolf rolt rond 1970 over ons heen. Het ecologische systeemdenken dringt door tot andere terreinen. Scientific American speelde daar op in door het uitbrengen van zeer doorwrochte themanummers, die ik als student stuk voor stuk verslind. Ik blader er nog wel eens in. Zoals het Biosphere bewaarnummer uit 1970 en het speciale Energy-issue uit 1971. Een aforisme uit dat Energie nummer is mij bijgebleven:

‘Een moderne industriële samenleving kan worden beschouwd als een complexe machine die hoogwaardige bronnen degradeert tot restwarmte en in dit proces de energie onttrekt die nodig is om een enorme catalogus aan goederen en diensten te produceren’.1

Dat is nog steeds een kernachtige typering van de energiesituatie van onze samenleving nu. We staan aan het begin van een energietransitie. In 2050 zijn we misschien op drie/kwart. We moeten al flink gewend en geworteld zijn in het post-fossiele tijdperk. Als we even kernachtig zouden moeten samenvatten hoe de toekomst er uit zou moeten zien kom je ongeveer uit op:

Een post-fossiele industriële samenleving kan worden beschouwd als een complex ecosysteem die direct en indirect wordt gevoed door zon, aarde en maan2 en waar over grote oppervlakten de energie wordt geoogst én verdicht die nodig is om een ruime catalogus aan goederen en diensten te produceren (die onderdeel zijn van een circulaire economie).

Daar zijn we nog lang niet. Hoe het ook gaat, de ruimtelijke implicaties van deze veranderingen zullen groot zijn. Het ministerie heeft terecht de energietransitie gekozen als een van de opgaven waarover het rijk zich moet uitspreken in de NOVI. In dit beknopte essay worden een aantal observaties gedaan en lijnen uitgezet die een rol kunnen spelen bij de beleidsvoorbereiding.

 

De essentie van de opgave

De moeder aller transitieopgaven is de verplichting die 197 landen zichzelf en elkaar in 2015 oplegden in het verdrag van Parijs om de globale temperatuurstijging “well below 2oC” te houden ten opzichte van het voorindustrieel gemiddelde. Dat betekent voor Europa een CO2 eq3. reductie van tussen de 80-90% in 2050. Om die reductie te halen is o.a. een grootscheepse omkatting van ons gehele energiesysteem nodig4. Deze transitie zal tot in de haarvaten van de samenleving doorwerken.

Lees meer over Parijs akkoord en gevolgen voor Nederland

Omdat de opgave mondiaal is lijkt de beste manier om de aard en omvang van de opgave inzichtelijk (en voelbaar!) te maken hebben wij er voor gekozen een stroomdiagram (figuur 1) waarin de totale energiehuishouding in 2010 van de wereld is weergegeven als onderlegger voor ons essay te gebruiken. Het kost slechts vijf minuten lezen en aandachtig deze figuur bestuderen om de energiehuishouding te doorgronden en tot de kern van de enorme opgave door te dringen.

Het leuke van het diagram is dat de auteurs5 er van uitgaan dat alles, maar dan ook alles, wat er in de sfeer van opwekking en gebruik in de wereld op energetisch gebied gebeurt uiteindelijk doorberekend kan worden naar verschillende vormen van eindgebruik. Of dat nu landbouw, industriegebieden, de timmerman op de hoek, de pakketdistributie, mijnbouw of varende containerschepen zijn, het kan in het energetisch huishoudboekje in termen van eindgebruik worden opgetekend. Eindgebruik door mensen zoals u en ik in categorieën die we in het huishouden kennen: de woning, verwarming, eten, transport, hygiëne, communicatie, verlichting, IT, noem maar op.

Dat gebeurt in drie stappen. Je ziet het mondiale gebruik van energiebronnen (linker kolom) die onderverdeeld naar elektriciteitsopwekking en direct brandstofgebruik via conversie-apparaten (tweede kolom) worden omgezet naar een bruikbare vorm en vervolgens via passieve systemen (gebouwen, schepen, vrachtwagens et cetera derde kolom) ten goede komen aan alle vormen van eindgebruik (laatste kolom). De laatste kolom bevat als tussenstap ook de industrie, waaraan je kunt zien hoeveel ingebouwde energie via productie van staal, aluminium, papier, mineralen er bijdragen aan welke categorieën eindgebruik.

Een blik op de figuur maakt duidelijk dat de complexiteit van de opgave enorm is. Alles is met energetische lijnen met elkaar verbonden. Alle stappen in deze figuur moeten – en kunnen – worden verduurzaamd. Dat die omslag zich moet voltrekken in de relatief korte tijd, de pakweg 35 jaar die ons nog scheiden van 2050, zet de opgaven letterlijk en figuurlijk onder hoogspanning.

Energy Reuzensankey NL (002)

Wereld energiehuishouding, uit: Dirk Sijmons, Landschap en Energie, NAi010 publishers, Rotterdam, 2014, overgetekend naar Cullen & Allwood (2000)


 

We beginnen helemaal links in de figuur. Als we daar de gebruikte energiebronnen optellen komen we op 475 EJ (Exajoule = 1018 joules) uit. De dikte van de lijnen zegt iets over de hoeveelheid. Je ziet dus in een oogopslag hoe heftig de huidige verslaving van onze samenleving aan fossiele brandstoffen nog is. Slechts 3% (15 EJ) daarvan wordt nu uit hernieuwbare bronnen gewonnen en als je biomassa mee zou rekenen kom je mondiaal op 15% (69 EJ). Nederland loopt zelfs daarbij achter en zit nu op zo’n 5,6% duurzame energie, opgebouwd uit 1,5% hernieuwbaar of te wel 31,8 PJ (Petajoule = 1016 Joules) hernieuwbaar en 4,1% (79 PJ) biomassa6. De bijdrage van ‘Biomassa’ in het terugdringen van de CO2eq. reductie blijft overigens een bron van veel discussie waarin wij hier niet in zullen treden.

Lees meer over brandstoffen.

Laten we even stilstaan bij – het anders wat abstract blijvende – gegeven van de omvang van het energiegebruik van het menselijke bedrijf, die 474 Joules met achttien nullen. Om een idee van de omvang te geven: dat staat gelijk aan de helft van de totale geothermische jaarproductie van onze planeet. De energiebron die de platentektoniek aandrijft en verantwoordelijk is voor het vulkanisme. Maar ook vijf maal de totale getijdenenergie die het Aarde-Maan systeem produceert7. Het zijn energiehoeveelheden die zich in dezelfde orde-grootte laten uitdrukken waarmee geologen en klimatologen op planetaire schaal rekenen. We zijn in zo’n vijfhonderd jaar de biomassaproductie van 300 miljoen jaar aan het opstoken. Je begrijpt dan dat gebruik van fossiele bronnen op deze schaal ook in staat is de aarde op te warmen en het klimaat te ontregelen.

Het voor 2050 substitueren van 80-90% van deze reusachtige hoeveelheid door CO2 arme bronnen zal waarschijnlijk niet lukken zonder er ook een stevig energiebesparingsprogramma naast te leggen. Of in minder instrumentele termen: op langere termijn zijn we op weg naar een Low Energy Society waarin we het weer doen met wat de natuur ons levert. Tweede observatie: het goede nieuws is dat – kijkend op deze kosmische schaal – er zo’n vijftigduizend maal zoveel zonnestraling onze planeet bereikt dan we als menselijk bedrijf gebruiken. Er is dus voldoende hernieuwbare energie, we zijn alleen nog niet slim genoeg in het oogsten daarvan. Of: om het correcter te stellen, we moeten slimmer worden in het – zonder al te veel ecologische brokken – aftappen van deze stroom die vanzelfsprekend nu al grotendeels benut wordt door alle systemen van onze levende planeet.

Een curieus gegeven van het diagram is dat het links optelt tot 475 EJ maar dat als je rechts alle cijfertjes van het eindgebruik optelt je ook op 475 EJ uitkomt. Worden al die stappen en conversies verricht zonder energetisch verlies? Niets is minder waar. Uiteindelijk wordt slechts minder dan een derde (29%!) van alle aangeboorde energiebronnen omgezet in nuttige arbeid. Onderweg zijn er lekverliezen (denk Russische pijpleidingen, Shell in Nigeria), opwekkings- en transportverliezen, omzettings- en conversieverliezen8. Deels zijn die verliezen onvermijdelijk door de ongenaakbare Tweede Wet van de Thermodynamica maar voor een deel is er hier een wereld te winnen. Dit gegeven laat het niet te overschatten belang van besparingen zien: 1MW die bespaard wordt scheelt dus 3MW aan opwekking! Energiebesparing is daarmee met bootlengtes voorsprong de meest kosteneffectieve manier van CO2 reductie. Het stroomschema rekent deze verliezen uiteindelijk allemaal toe aan het eindgebruik. De cijfers die we daar zien zijn dus bruto-bruto-bruto. Dat komt goed uit, want het voornaamste motief voor de energietransitie is de reductie van CO2 en voor een eerlijk beeld moeten die verliezen er bij worden betrokken.

Lees meer over besparingen.

Je ziet dat alle energiebronnen worden gebruikt om dan wel elektriciteit (elektronen) op te wekken dan wel direct als brandstof (moleculen) te worden gebruikt. De vrijgemaakte elektronen en de moleculen worden omgezet (conversie: tweede kolom) in bruikbare elektriciteit, dan wel warmte (en koude) en ook in beweging (kinetische energie). In het stroomschema is goed te zien te zien wat een prominente rol warmte speelt in onze energiehuishouding. Ook de elektriciteit wordt voor een niet onaanzienlijk deel omgezet in warmte. Dat is niet alleen het thermische comfort in gebouwen maar ook de enorme warmtevraag van onze industrieën, waar veel warmte met soms temperaturen van boven de 1.000oC (staalproductie en dergelijke) nodig zijn. Vanuit ‘Industrie’ (154 EJ) zie je hoeveel embedded energie bij de productie van materialen in welke hoeveelheden een rol spelen bij het eindgebruik. Een kolom naar links zie dat onze huishoudelijke apparaten (denk aan vrieskisten, televisies, keukeninstallaties, et cetera) tezamen 88 EJ opsouperen, nog meer dan verwarmde en gekoelde ruimte (86 EJ). Als een zoekplaatje zie je telkens weer nieuwe verbanden in het diagram.

Lees meer over elektriciteit.

Van de bronnen tot de myriade aan eindgebruikers is de mondiale energiehuishouding zo stap voor stap te volgen. Wat kan je op grond daarvan zeggen over de opgave waar we voor staan behalve – wat we al gezien hebben – dat die heel groot is. Hoe zou de figuur er uit zien of moeten zien als die transitie is gemaakt? Omdat de dikte van de lijnen aangeeft hoe omvangrijk stromen zijn is de eerste actie dat we moeten proberen de figuur als geheel, door besparingen dunner te maken. Het is moeilijk voorstelbaar dat alle voor het huidige menselijke bedrijf noodzakelijke energie (474 EJ) geheel duurzaam kan worden opgewekt. Bovendien is het tijdperk van de gemakkelijke en goedkope energie voorbij. Alhoewel de volatiliteit en het ongekend lage niveau van de olieprijzen anders doet vermoeden neemt de Energy Return on Energy Invested (EROEI) geleidelijk af. Het kost de samenleving steeds meer energie om aan zijn energie te komen9.

Energy Tabel 002

Overzicht ruimtelijke impact besparingen, elektriciteitsproductie, Warmte, Brandstoffen, Transport en Opslag voor 1 miljoen huishoudens (Nederland 2015).


Als we die 80% reductie van CO2 eq. willen halen zal het aandeel ‘hernieuwbaar’ zeer fors omhoog moeten. Je kunt vervolgens stellen dat in de transitie de ‘elektriciteitsopwekking’ (203 EJ) flinke terreinwinst moet boeken op het ‘directe brandstofgebruik’ (272 EJ). Dat kan door verdere elektrificatie van de samenleving maar ook door het chemisch ‘verdichten’ van elektriciteit (bv omzetting naar Waterstof) waardoor deze in industriële processen bruikbaar is. Warmte moet dus een centrale plaats innemen in de transitiediscussie, maar wordt vaak stiefmoederlijk behandeld. In het diagram wordt geothermie niet met naam en toenaam vermeld maar als onderdeel van hernieuwbaar (15 EJ) gedacht. In de figuur van 2050 zal het een dikkere eigen balk hebben. Goed omgaan met de restwarmte is uit al deze processen is ook cruciaal in de transitie. Die twee-derde aan lek-, opwekkings-, distributie-, transport-, en conversieverliezen die vermijdbaar zijn, zoals gebruik maken van restwarmte en verbeteren van de efficiency van de verbrandingsprocessen moeten een grote rol spelen en systematisch worden onderzocht. In de onderste rij van het diagram zie je dat je van links naar rechts bijna een rechte balk. Van de energiebron olie die geconverteerd door motoren, via de passieve systemen vliegtuig, auto’s, vrachtwagens en schepen in beweging zetten. Dit zou wel eens de hardste noot kunnen zijn die in de transitie moet worden gekraakt.

Lees meer over warmte.

Tenslotte maakt de figuur duidelijk dat we niet alleen moeten focussen op het eindgebruik. In termen van bijvoorbeeld een gebouw: het gaat niet alleen om een energetisch neutraal (of zelfs energieleverend) gebouw, maar ook, een stapje terug, om de duurzaamheid van de gebruikte bouwmaterialen en weer een stapje terug de CO2 footprint van de wijze van fabriceren van die bouwmaterialen. In iedere stap is winst te boeken.

 

Over scenario’s

Er zijn meerdere wegen naar het doel van 80-90% reductie van CO2 in 2050. Het wemelt dan ook van de scenario’s in de energiewereld.
Van gezaghebbende vanuit de (semi-)overheid zoals het ECN en het Planbureau voor de Leefomgeving tot polemische scenario’s vanuit de NGO’s zoals Natuur en Milieu of de Urgenda en ook uit het bedrijfsleven zoals Shell11 komen interessante toekomststudies. Er zijn zelfs aardige doe-het-zelf scenario’s op het web waar betrokken burgers of onderwijsinstellingen zelf een energie-scenario uit verschillende componenten kunnen opbouwen12.

Een goed scenario’s gaat over alle vier de hoofdrolspelers: besparingen, elektriciteitsproductie, warmte en brandstoffen en zet de keuze voor verschillende mixen van duurzame energiedragers op een rij en in de tijd. Levert inzicht in de leveringszekerheid en de prijsontwikkeling van de energie voor de samenleving. Spreekt zich uit over het uitwiggen tegen andere CO2 arme (gas, biomassa en kernenergie) bronnen en rekent met de rol van CCS (het afvangen en ondergronds opslaan van CO2). Een goed scenario beperkt zich niet tot deze technische hardware-kwesties maar betrekt de mogelijkheden van de burgers om via eigen energie-initiatieven als ‘prosumers’, of door de manier van leven (wel of geen vlees, woon-werkverkeer, et cetera) – van onderop – de energetische toekomst te vergroenen. Tenslotte besteedt een goed scenario aandacht aan de mogelijke systeemaanpassingen die nodig worden als we een bepaald aandeel duurzame opwekking passeren.

Dat omslagpunt ligt bij zo’n 20%. Aanpassingen aan het netwerk (Smart grid maken, DC hoogspanningsnet) alsook aan opslag van elektriciteit (zie later) zijn dan nodig. Deze puzzel met verschillende mengsmeringen tussen de verschillende modaliteiten en de rol van de actoren zal in de beleidsvoorbereiding wel (meermaals!) worden gelegd. In dit essay voor de NOVI beperken wij ons tot een paar observaties en aanbevelingen.

ENERGY_IIB_Gigatons_of_CO2_Feb16-2 (002)

Niet alleen Nederland heeft haast, de hele wereld heeft haast

 

1. Nederland heeft haast

Zoals bekend moet ons land, wanneer het om de energietransitie gaat, van ver komen. We bungelen onderop in de Europese ranglijsten13. Er zijn stappen gezet in het ‘Energie-akkoord’ om deze achterstand in te lopen, de Stichting Urgenda heeft een rechtszaak gewonnen om de regering aan te zetten tot spoed maar we hebben al veel tijd verloren. Wij moeten ‘uitrollen’ als Duitsland in zijn beste tijd om alleen al de doelen van het energieakkoord (2020) te halen. Verwerk dit tempo aspect in de mogelijke scenario’s.

2. Het keuzespectrum versmalt zich

Hoe langer er getalmd en niet doorgepakt wordt zal het aantal keuzemogelijkheden tussen ontwikkelingspaden afnemen en dus het handelingsperspectief verschralen. Voorbeeld: nu zijn er mogelijkheden om de netwerken van gas en olie in de Noordzee die worden afgebouwd te benutten als infrastructuur om CO2 op zee in de bodem op te slaan. Wachten we nog een decennium dan is dat een gepasseerd station. Tweede voorbeeld: systeemkeuze warmtenetten. Neem deze windows-of-opportunity op in je scenario’s.

3. Onontgonnen terreinen

Alhoewel er ook daar nog ongelofelijk veel werk moet gebeuren kan je zeggen dat we het vertrouwen kunnen hebben dat het probleem van de hernieuwbare elektriciteitsopwekking in conceptuele zin wel is opgelost. De verkennende kracht van scenario’s en het onderliggende (ontwerpende) onderzoek zouden hun pijlen meer moeten richten op de minder goed ontgonnen terreinen, de zwarte zwanen en de onopgeloste kwesties. Zoals het REA opmerkt: (…) ’het is nu tijd om onze aandacht te richten op de problemen bij de eindgebruikers in de sfeer van het transport en warmte/koude alsmede op vraagstukken rond instrumenten en marktordening’14. Laten wij daar aan toevoegen: de verdere elektrificatie van en chemische verdichting daarvan voor industriële processen, de ruimtelijke implicaties van het transformeren van de petrochemie in de biochemie, het CCS vraagstuk en vooral het vraagstuk van de opslag van energie als we het wisselende aanbod van de hernieuwbare bronnen moeten gaan afvlakken.

Lees meer over opslag en transport.

4. ‘What if’ analyses

Kijk over de rand van de energietransitie. Gebruik de verbeeldende kracht van scenario’s en ontwerpend onderzoek ook om te tonen wat er kan gebeuren als we de doelstellingen niet halen. Niet alleen om de eigen ‘resiliency’ te testen en ook niet om de mensen bang te maken maar om een aantal verbanden te laten zien en tweede en derde orde effecten van klimaatverandering voorstelbaar te maken. Als we er niet in slagen de klimaatverandering te beteugelen zal de internationale migratiestroom aanzwellen met ecologische vluchtelingen. Klimaatverandering zelf wordt in toenemende mate gezien als een katalysator van sociale onrust en geweld. ‘De wetenschap is er niet eenduidig over, maar niettemin zijn er wel steeds meer aanwijzingen dat er op z’n minst een correlatie is tussen klimaatverandering en groeiend extremisme in de wereld. En dat stellen niet alleen hippies van Greenpeace, maar ook het Amerikaanse defensieapparaat. (…) Duurzaamheid is zo bezien een mes dat aan meerdere kanten snijdt: niet alleen voorkom je er de opwarming van de aarde mee, je koelt er ook broeinesten van sociale onrust mee af’. 15 De energietransitie draait de geldkraan naar de oliestaten geleidelijk aan dicht.

5. Vermijdt stammenstrijd

World-Energy-Scenarios_Composigy-futures-to-2050_Full-report 1Verdoe geen tijd met ideologisch of neo-liberaal dim-dammen. Bouw geen tegenstellingen in de scenario’s over de rol van de overheid versus die van de markt. Die stelling heeft al zo vaak op het schaakbord gestaan dat de aanpak nu wel duidelijk is. In de World Energy Scenarios17 zijn de twee uitersten vertaald in de scenario’s ‘Symphony’ en ‘Jazz’ waarin gekeken wordt naar het energie-trilemma: hoe kan je duurzame energie, combineren met hoge leveringszekerheid tegen voor iedereen betaalbare prijzen. In ‘Jazz’ draait het om consumentenfocus op prijs, de innovatieve kracht van de markt met actoren van multinationals tot kritische consumenten. In ‘Symphony’ om (samenwerking tussen) staten, gelegitimeerde programma’s om leveringszekerheid en duurzaamheid te bereiken, met staatsinstellingen en NGO’s als voornaamste actoren. Geen van beide scenario’s is zelfstandig in staat de gestelde milieudoelen van 2050 te bereiken. We zullen het moeten hebben van een productieve menging van beide die veel verder gaat dan het wat obligate èn-èn waarin er niet gekozen. We hebben een ondernemende staat en een verantwoordelijk bedrijfsleven nodig. Richt de scenario’s op de invulling daarvan.

 

De ruimtelijke impact van de scenario’s

De ruimtelijke impact van de energietransitie zal aanzienlijk zijn. Niet alleen vanwege de nieuwe hardware van de duurzame bronnen die in de dagelijkse leefomgeving steeds zichtbaarder zullen worden. De energie-transitie zal tot in de haarvaten van de samenleving invloed hebben en daarmee die samenleving ook geleidelijk veranderen. Deze veranderingen, laten we ze even tweede orde effecten noemen, hebben weer ruimtelijke gevolgen, de derde orde effecten, en zo verder. Hoe verleidelijk ook, over deze moeilijk te voorspellen tweede en de – misschien wel principieel onvoorspelbare – derde orde effecten gaan we in dit essay niet speculeren. Dat zou een mooie adviesvraag aan de WRR zijn.

De relatie ruimte en de energie-transitie varieert afhankelijk van de blikrichting van probleemloos tot problematisch. Kwantitatief zit ‘ruimte’ eigenlijk niet op het kritieke pad van de energietransitie, met als uitzondering wellicht de grootschalige inzet van biomassa. Maar ons land wordt al zeer intensief gebruikt. Dat wil zeggen dat het ruimtelijk wel inpasbaar is maar dat het een opdrijvend effect op de grondprijzen kan hebben. De economie zal weer rekening moeten houden met land als kostbare hulpbron. Op het landbouwfront betekent het dat de verdringingsstrijd tussen food, feed, fibre and fuel weer open is ondanks de relatief hoge agrarische grondprijzen in ons land.

 

20160524_Cahier_AMP-Ruimtelijk Impact Energietransitie_pages 1In kwalitatieve zin, kijkend, zeker als het zijn waarden-geladen gedaante als ‘landschap’ aanneemt blijkt ruimte het toernooiveld waarop de energietransitie misschien wel wordt gewonnen of verloren. NIMBY protesten en bezwaren tegen duurzame energieprojecten van allerlei snit worden op het ruimtelijke doek geprojecteerd en vaak met ruimtelijke argumenten beargumenteerd.

De nieuwe manier van energieopwekking is decentraal en is alom tegenwoordig in de dagelijkse leefomgeving, in stad en land. En het gaat om erg veel ‘hardware’. Een geheel nieuwe laag van infrastructuur voor een duurzame energievoorziening zal moeten worden toegevoegd. En waar gaat dat landen? Soms kleinschalig op je eigen dak, soms op buurtniveau in een energiecoöperatie, soms op stedelijk niveau via een ander mobiliteitsbeleid en soms op bijna regionaal niveau in nieuwe energielandschappen.

De projecten op grote schaal kunnen vaak op de meeste maatschappelijke weerstand rekenen en we weten zeker dat we het met alleen de lokale initiatieven van geen kant zullen redden. En dat terwijl de lokale initiatiefnemers daar wel van overtuigd zijn en alles wat grootschalig is wantrouwen. Dat is het probleem waar verantwoordelijke bestuurders de komende decennia mee geconfronteerd gaan worden.

 

De rol van het rijk (en andere overheden)

Tja, het is misschien wat veel gevraagd maar de energietransitie gaat niet lukken als het aan de markt wordt overgelaten. Het klimaatvraagstuk is met veel gevoel voor understatement wel gekarakteriseerd als een meervoudig falen van de markt60. Er is een nieuwe zelfbewuste rol van de overheid gewenst. Eén die de centrale rol die de overheid altijd speelde weer herkent. En die er niet alleen is om markt-falen te repareren maar ook optreed als de echte durf-financier van fundamenteel onderzoek, (waarop de private sector bv. haar doorbraaktechnologie in de IT baseerde) en als aanjager fungeert van werkelijke ‘smart growth’. Kortom een ondernemende staat61 die samen met betrokken burgers en een verantwoordelijk bedrijfsleven een voortrekkersrol speelt in de transitie. De misschien wel belangrijkste rol van het rijk is het organiseren van rugwind voor de gehele operatie. Het reëel beprijzen van CO2 is daarvan de belangrijkste. De prijs die door het falende systeem van verhandelbare rechten, nu gezakt is naar €5-€7/ton moet belangrijk omhoog om voor ondernemers ook een stabiel en realistisch winstperspectief te creëren dat nodig is om bijvoorbeeld de miljarden investeringen te doen die nodig zijn bij grootschalige offshore projecten. Een reële CO2 prijs scheelt de overheid ook de eeuwige subsidie-infuus om het gat te dichten tussen de fossiele kWh prijs en de prijs voor wind- en zonne-energie. De CO2 beprijzing zal fossiele stroom (veel) duurder maken en dus een echt level playing field opleveren. Maar wat is een reële CO2 prijs? We kunnen ons voorstellen dat die gekoppeld kan worden aan de prijs die uit een business-case rolt voor CCS62. In alle Europese scenario’s speelt CCS tot 2050 een grote rol als we de doelen willen halen. Als we daar serieus op willen inzetten is er een even serieuze economische incentive nodig. Nu ligt alles stil vanwege de rock-bottom prijs van CO2. In de literatuur worden heel verschillende prijzen genoemd, tussen de €40 en €80/ton. En nu is het moment dat de pijpleiding infrastructuur van de olie- en gasindustrie op de Noordzee er nog ligt en hergebruikt kan worden. Daarna wordt het (veel) duurder.

Als die prijs er eenmaal is zou die via een Europese CO2 taks geïmplementeerd moeten worden en niet meer via het systeem van verhandelbare rechten. Een cascadebelasting – naar analogie van de BTW kan van een BTK worden gesproken – waarvoor iedere stap in het productieproces de daarin toegevoegde koolstof wordt afgerekend is een elegant fiscaal instrument en heeft het snelste resultaat63. Een dergelijke belasting werkt ook regulerend op andere transitievelden zoals de landbouw. Er zouden geen sectoren – zoals de luchtvaart – uitgezonderd moeten worden.

Als systeemverantwoordelijke zou het rijk op werkelijk strategische elementen een sturende rol moeten spelen. Allereerst met een zeer ambitieus besparingsprogramma, industriepolitieke keuzes over waterstofproductie en de reeds genoemde CCS, maar ook op de systeemkeuze waar veel lagere overheden nu voor staan waar het gaan om het netwerk van warmteleidingen.

Tenslotte kan het rijk, met de hand in eigen boezem, iets aan de verkokering doen. Een struikelblok voor de energietransitie is namelijk dat de werelden van Energie en Ruimte nog te veel met de ruggen naar elkaar staan. Typerend is dat in het SER-Energie-akkoord (2013) de woorden ‘ruimte’ of ‘landschap’ hoegenaamd niet voorkomen. Energie en Ruimte zitten blijkbaar opgeborgen in hun twee sectorale silo’s, compleet met eigen kennisinstituten, bedrijvenketens, NGO’s en Tweede Kamer specialisten.

Er zou een ferme stap gezet kunnen worden – over de departementale competentiegrenzen heen – door de resultaten van de ‘energie-dialoog’ te vertalen in een energetisch/ruimtelijk narratief. Een systemisch verhaal waar een samenhangend geheel gemaakt wordt van besparingen, warmte, brandstoffen en elektriciteit, hun taakverdeling en hun onderlinge koppelingen in beeld komen.

Waar zo’n systemische aanpak toe in staat is laat het Deense energiebeleid zien. Niet alleen zal Denemarken de reductie-doelen gaan halen maar bovendien zijn de kengetallen van hoe ze dit doen indrukwekkend. Sinds 1980 is de Deense economie 75% gegroeid maar het energiegebruik is nauwelijks hoger geworden.64 Vitaal om deze technische onderlegger tot leven te brengen is uiteraard de sociale component. Het ergste wat de energie-transitie kan overkomen is dat het (gezien wordt als) een ’revolutie van boven af’. Dan ben je je eigen weerstand aan het creëren. De energieke samenleving is de belangrijkste actor. Met een narratief kan je mensen meenemen en aanspreken. Dit ‘grote verhaal’ moet energie en ruimte, ratio en emotie bij elkaar brengen, letterlijk en figuurlijk ruimte geven aan de talloze particuliere initiatieven, deze inschalen en afstemmen, maar ook beargumenteerde top-down keuzes inleiden, nationale keuzes en buitenlandse inspanningen met elkaar verbinden, te land, ter zee als in de lucht taakstellingen verdelen, helder zijn over de fricties tussen gevestigde belangen en de transitiedoelstellingen en lange termijn perspectief bieden voor (grote en kleine) investeringen. En ook de gevreesde CO2 blindheid voorkomen door de energietransitie te koppelen aan andere maatschappelijke problemen. In een dergelijk narratief kunnen ook de emoties een plek krijgen. Hoe maken we met z’n allen die transitie mee? Hoe gaan we om met de angsten die veel mensen voelen nu het einde van het tijdperk van het ‘fossiel expressionisme’65 lijkt te zijn aangebroken? Een narratief is een samenhangende verhaallijn waarop evenwel heel veel varianten en zijpaden bewandeld kunnen worden dat begeleid wordt door een ontwerpende beeldende ondersteuning. De animatie en het narratief van 2050: An Energetic Odyssey dat voor EZ & I&M in de IABR werd vervaardigd met input van een groot aantal maatschappelijke partijen kan daarbij als voorbeeld en werkmodel dienen.66 In zo’n narratief kunnen volgtijdelijkheden en verbanden worden beargumenteerd en getoond die aan de energie-dialoog een echte verdieping meegeven en waarmee, belangrijker nog, nieuwe vormen van consensus gebouwd kunnen worden. Ook provincies en regio’s kunnen een narratief construeren. Dat zou bij elkaar een stevige basis kunnen bieden voor een Nationaal Energieplan.67

Lees meer over De energietransitie als verhaal of icoon

 

Tot slot

Door het heldere internationaal geratificeerde doel heeft dit een essay een duidelijk punt op de horizon, en is geschreven alsof dit toekomstscenario onontkoombaar is. Dat is niet zo. Drie opmerkingen daarover: Het Nederlandse beleid op het gebied van de energietransitie loopt zodanig achter dat er een aantal mogelijke andere wegen die er zo’n twintig jaar geleden nog openlagen nu al zijn afgesloten dat zorgt voor onvermijdelijke convergentie. Daartegenover staat dat de technologische ontwikkeling voor flinke verrassingen gaan zorgen die de hier beschreven technieken en trends lachend achter zich zullen laten. Toch zal de zoekrichting in de energie-transitie zelfs met het inbouwen van deze ‘zwarte zwanen’ waarschijnlijk wel intact blijven. We moeten in elk geval niet achteroverleunen en er op rekenen dat de technologie ons precies op tijd met een nieuw energie-wonder zal redden. Een derde manier om aan deze rechtlijnigheid te ontkomen is te veronderstellen dat we de doelstelling niet, later of pas veel later gaan halen. Het inbouwen van dit defaitisme, of zo men wil realisme, aan de voorkant van het proces van de NOVI zou de ambitie doen inzakken en de puf er goeddeels uithalen. Het beschrijven wat er gebeurt of kan gebeuren als we deze centrale vooronderstelling onder de redenering wegtrekken levert vast erg spannende scenario’s op, de handen jeuken om de ruimtelijke, economische en geopolitieke gevolgen daarvan te beschrijven. Dat is voor een heel ander essay.

Beleidskoersen

De vectoren van het klimaatbeleid

Die rechtlijnigheid is slecht te rijmen met de feitelijke koers van het klimaatbeleid in de afgelopen jaren. Het was de grillige resultante van vele invloeden. Het schoot heen en weer tussen ‘himmelhoch’ en werd telkens weer weggedrukt door een andere politieke crises. Ze zal ook in de toekomst wel weer onderhevig zijn aan hevige spanningen onder invloed van andere politieke prioriteiten, lobby’s en druk van gevestigde belangen, emoties en angsten van de mensen over de gevolgen van het beleid, en ga zo maar verder. De zoekrichting is in elk geval duidelijk. De energietransitie moet de ruimtelijke ratificatie vormen van het klimaatbeleid. De NOVI moet daarvoor de basis leggen.

 

 

 

 

 


Essayist

Dirk Sijmons

dirk-sijmonsDirk Sijmons studeerde Bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft en is een van de drie grondleggers van H+N+S Landschapsarchitecten. Sijmons ontving in 2002 de Rotterdam Maaskantprijs. In 2004 werd hij door de minister van LNV benoemd tot Rijksadviseur voor het Landschap. In 2007 ontving hij de prestigieuze Edgar Donckerprijs voor zijn bijdrage aan de ‘waarachtig Nederlandse cultuur’. Ook bekleedde hij de leerstoel Landscape Architecture aan de TU Delft. In 2014 was Sijmons curator van de IABR Urban
by Nature en presenteerde op het IABR
2016 het project ‘2050 An Energetic Odyssey’.

 

Met bijdrage van:

Marco Vermeulen

Marco-VermeulenMarco Vermeulen is architect en stedenbouwkundige en was gastdocent zowel bij TU Eindhoven, Delft en de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Hij werkt aan projecten rondom onder andere Cradle to Cradle (Klavertje 4 Bedrijventerrein Venlo), Bio Based Economy (West Brabant), duurzame economie. Voor het IABR 2016 schetste hij, met het Dutch Smart Thermal Grid, een toekomstbeeld van een open
warmtenetwerk waar diverse partijen
in concurrentie geothermie, restwarmte
en zonnewarmte kunnen aanbieden.


Voetnoten

Voetnoten

1 Reacties

  • 2017-01-31 10:47:41
    Michiel Cappendijk
    adviseur | kwartiermaker | programmamanager
    • Inspirerend stuk
    • Waar zijn mensen mee bezig als ze naar huis rijden van hun werk, wat houdt ze dan bezig? Klimaatproblemen? Die zijn echt te abstract. Alleen als deze onderdeel zijn jouw sociale conditionering zijn deze relevant. Of eigenlijk een middel voor die sociale context. M.a.w. voor de meeste mensen moeten we het dichter bij huis zoeken, of dichter bij huis brengen. Als je vuilnis niet meer wordt opgehaald, krijg je pas echt belang om te minderen. Nu is die ellende weggeorganiseerd.
    • GJB Hiltermann zei al eens: "uitsluitend de psychische toestand van de mens is bepalend voor de groei van de economie”. Ik denk dat dat voor het milieu en het klimaat ook zo is. Het beste zou zijn om in alles wat te minderen, maar alleen een despoot of rampspoed zal ons daarvoor motiveren. Sijmons en Vermeulen bieden een alternatief hiervoor. Complex en ik weet niet of ik er helemaal in geloof. Toch heb ik geen alternatief en is dit een next best, dus waarom zou ik niet met hen in hun redenering mee gaan?