2 reacties
Geplaatst door: Wij Maken Nederland wo 14 dec

Next Living

Opgaven voor het wonen in toekomstig Nederland

 
KMBT_C224e-20161207144544

In Holland staat een Huis. Tentoonstelling in 1993 in het NAi Rotterdam ©Jannes Linders


 

Tegenstrijdige ontwikkelingen

In ruimtelijk beleid wordt het wonen vaak gezien als volgend. Dat wil zeggen dat waar en hoe we wonen gedicteerd wordt door grotere veranderingen in economie, demografie en technologie. Economische herstructurering, grijze en groene druk, internationale migratie, en nieuwe ontwikkelingen in energie, vervoer en digitale dienstverlening hebben inderdaad grote gevolgen voor hoe woonmilieus in Nederland eruit gaan zien. Als gevolg van deze trends, zien we een steeds grotere druk op het wonen in de stedelijke regio, dichtbij werk en sociale en culturele voorzieningen. Aan de andere kant geven nieuwe technologieën burgers kansen om meer zelfvoorzienend te zijn en niet in stedelijke dichtheden te wonen. Zelfvoorziening op het gebied van energie maakt de burger onafhankelijker. De zelfsturende auto en Uber zijn nieuwe vormen van vervoer die openbaar vervoer minder nodig lijken te maken. De gevolgen van thuiswerken op vervoer en wonen zijn al bekend, maar ook de uitbreiding van digitale dienstverlening van de overheid, in de zorg en in het onderwijs maakt de ontwikkeling van meer zelfstandige woonmilieus mogelijk. Deze ontwikkelingen bieden nieuwe kansen op het gebied van wonen voor burgers en markt, alsook voor stad en platteland. Burgers worden meer kansen geboden om woonomgeving in te richten en in coöperaties of netwerken zichzelf te voorzien in energie, vervoer en zorg, in de stad of op het platteland. Daarnaast biedt de aantrekkingskracht van de stad de markt nieuwe mogelijkheden voor de bouw van nieuwe buurten aan de rand van de stad en voor de herstructurering van oude buurten en haven- en industriegebieden.

 

Centrale overheid: uitgespeeld of aan zet?

Deze trends doen vermoeden dat de rol van de centrale overheid op het gebied van wonen is uitgespeeld. Gemeentes zouden gebiedsontwikkeling en herstructurering grotendeels kunnen overlaten aan burgers en de markt en zich beperken tot het faciliteren van de vraag. Hoewel burgers en marktpartijen van groot belang zijn in het realiseren van woonwensen, blijft de centrale overheid onmisbaar in het proces en dient het juist een visie op wonen uit te dragen die niet alleen volgend is maar op sommige aspecten ook sturend en controlerend. De overheid is namelijk de enige actor wiens primaire belang het is om collectieve handelingsproblemen in sociaaleconomische en ruimtelijke planning te agenderen en aan te pakken en daarmee nieuwe economische en technologische ontwikkelingen in gang te zetten of bij te sturen. Tegelijkertijd dient ze er voor te waken dat ongelijkheid op meerdere schaalniveaus beperkt blijft.

Lees meer over ‘Ontwikkelingen In Nederland: 1 miljoen woningen’

De netwerksamenleving lijkt op gespannen voet te staan met de sturingscapaciteiten van de (centrale) overheid. De toenemende integratie van stedelijke netwerken heeft gezorgd voor een verschuiving van centraal gestuurde en afgebakende systemen naar gedistribueerde, met elkaar verbonden systemen waarbij coördinatie de resultante is van meerlagige besluiten die vooral vanuit operationeel oogpunt, en vaak eendimensionaal op elkaar zijn afgestemd. Toenemende integratie vindt plaats binnen systemen, zoals het energiesysteem waarbij vragers en aanbieders steeds directer met elkaar in contact staan, gefaciliteerd door sociale media en beschikbaarheid en betaalbaarheid van decentrale technologieën voor productie van hernieuwbare energie, maar ook tussen systemen, zoals de verknoping van het energiesysteem met het vervoersysteem door middel van de elektrische auto, en verknoping van de gezondheidszorg met ICT-infrastructuur die zorg op afstand mogelijk maken en meer ondersteuning bieden.

Hoewel burgers en marktpartijen van groot belang zijn in het realiseren van woonwensen, blijft de centrale overheid onmisbaar in het proces en dient het juist een visie op wonen uit te dragen die niet alleen volgend is maar op sommige aspecten ook sturend en controlerend.

Het goed functioneren van deze verknoopte stedelijke systemen is van cruciaal belang voor de (internationale) concurrentiepositie van steden en voor de leefbaarheid in steden. Een gezonde stedelijke economie kan niet zonder goed functionerende woningmarkt die ruimte biedt aan verschillende doelgroepen en vice versa. Ontkoppeling van wonen en werken lijkt slechts tot op beperkte hoogte tot veranderende ruimtelijke patronen te leiden – in de stad zijn burgers in staat om hun eigen ‘werkomgeving’ te creëren. Aan de zelfstandigen biedt het de mogelijkheid om in kleine, losse verbanden met elkaar samen te werken. Voorwaarde voor dit al is dat steden hun grondstoffenhuishouding op orde hebben en weerbaar zijn voor de toenemende invloed van klimaatverandering. Een op hernieuwbare bronnen gebaseerde energievoorziening, een lage uitstoot van broeikasgassen, voldoende waterbergend vermogen en drinkwater, en een zo efficiënt en hoogwaardig mogelijk gebruik van grondstoffen, liefst herbruikbaar. De transitie naar hernieuwbare, op duurzame leest geschoeide stedelijke samenleving zal sommige groepen bevoordelen en andere benadelen. Zo is veel van de ‘oude’ werkgelegenheid CO2-intensief. De vraag is of de nieuwe werkgelegenheid aan dezelfde groep banen en inkomen biedt. Smart grids, slimme steden en de deeleconomie dragen bij aan een verdere digitalisering van de samenleving en veronderstellen vaardigheden, zoals een bepaalde mate van geletterdheid, die lang niet bij alle groepen in de samenleving aanwezig zijn. Maatschappelijke en ruimtelijke ongelijkheid dreigt zo nog verder toe te nemen en dit ondermijnt de duurzaamheid van de verknoopte netwerksamenleving.

MUST_kaarten

Verstedelijking van Nederland 1920-2010 ©Must, 2004

De decentralisatie van de samenleving en de verdere versterking van de netwerksamenleving valt samen met de tijdsgeest, waarin de overheid zich terugtrekt en initiatief graag aan de markt en sinds enige jaren ook aan de burger overlaat. Wanneer voorwaarden duidelijk omlijnd zijn, kunnen we de kracht van de ‘onzichtbare hand’ van de markt of die van het burgernetwerk zien. Burgerkracht en –initiatieven alsook marktprojecten kunnen nieuwe dynamiek geven, maar worden vaak gedreven door eigenbelang en minder door collectief belang. Zo zijn de diverse energiecollectieven in ons land – overigens geheel legitiem – opgezet vanuit een scala aan doelstellingen, variërend van duurzaamheid tot zelfvoorzienendheid en kostenreductie. Dit geldt ook voor lagere overheden. Het overschot van bedrijventerreinen langs de Nederlandse snelwegen is een blijvend monument voor gemeentelijk winstbejag – weliswaar veelal met bevordering van andere maatschappelijke doelstellingen voor ogen. In het geval van wonen, bestaat het gevaar dat er slechts voor een type huishouden gebouwd wordt, namelijk de werkende middenklasse en alleen geïnvesteerd wordt in al aantrekkelijke gebieden. Voor Amsterdam dreigt dit zelfs alleen voor de betere middenklasse te zijn. De lage en middeninkomensgroepen wijken noodgedwongen uit naar buitenwijken en omliggende gemeenten en komen misschien de kansrijke regio’s moeilijker in. Dit zou de ruimtelijke ongelijkheid in steden, binnen regio’s en in Nederland verder versterken.

De grote onzekerheid op gebied van woningmarkt, arbeidsmarkt, stedelijke economie en veerkracht leidt bij gebrek aan perspectief tot ongecoördineerde, ad hoc investeringsbeslissingen die tegelijkertijd een enorme lock-in betekenen dan wel kapitaalvernietiging in geval van koerswijziging.

De grote onzekerheid op gebied van woningmarkt, arbeidsmarkt, stedelijke economie en veerkracht leidt bij gebrek aan perspectief tot ongecoördineerde, ad hoc investeringsbeslissingen die tegelijkertijd een enorme lock-in betekenen dan wel kapitaalvernietiging in geval van koerswijziging. Denk bijvoorbeeld aan de fonkelnieuwe kolencentrales die binnenkort weer de deuren moeten sluiten. De gevestigde energieproducenten, ondersteund door experts, zagen dit als kans om een nieuwe technologie te ontwikkelen en grootschalig toe te passen, de afvang en opslag van CO2, als noodzakelijke tussenstap in de transitie naar een fossielvrije energievoorziening. Tegelijkertijd betekent een investering in fossiele technologie wellicht een vertraging in de transitie – een dilemma dat uitnodigt tot politieke keuze. Door deze keuze te vernauwen tot een technisch transitieproces, met een eendimensionele belangenafweging, wordt voorbijgegaan aan de bredere betekenis voor lokale en regionale economie en woningmarkt. Het vernauwen van het afwegingskader en de gediende publieke belangen leidt vaak tot een technische formulering van de keuze, die door specialisten vanuit bedrijfsleven worden verkend. De nadruk op een sluitende business case – tegenwoordig vanuit een circulaire economie gedachte geformuleerd – versterkt dit. Tenslotte, waar het bedrijfsleven en burgers risicomijdend kunnen zijn, kan de centrale overheid juist wel de noodzakelijke investeringen in sociale en ecologische duurzaamheid mogelijk maken, en decentrale overheden, marktpartijen en burgers een kader bieden voor samenhangende investeringen. Daarmee kan de overheid ook waken voor ongelijkheid en negatieve bijwerkingen.

De overheid heeft dus blijvende een taak als regisseur en investeerder in het wonen in de 21ste eeuw. Hieronder lichten we drie domeinen uit met uitdagingen en concrete aanbevelingen.

Lees meer reacties op de NOVI

 

Woongerelateerde klimaat- en energieopgaven

Met de vele onzekerheden waarmee de toekomst is omgeven lijkt de burger in ieder geval een grotere verantwoordelijkheid voor de eigen woonomgeving te worden toebedeeld. Leveringszekerheid van primaire diensten (bijv. energie, gezondheidszorg, huisvesting, minimaal inkomen) en schadevergoeding in geval van onvoorziene omstandigheden zoals overstromingen, stormen en sociale onrust zijn in de toekomst mogelijk niet meer gegarandeerd. De mogelijkheden van mensen om weerbaar en voorbereid te zijn verschillen nogal. Burgers zijn zich er niet van bewust, vinden het niet van belang, hebben andere, nijpender problemen of schrikken terug voor grote investeringen. Bovendien zien veel Nederlanders nog vaak een grote verantwoordelijkheid bij de overheid, ook al is dit vaak niet zo gedefinieerd en zijn zij al zelf (onbewust) risicodrager. De manieren waarop individuele burgers hun woningen en woonomgeving kunnen aanpassen aan deze grotere onzekerheden en de veerkracht van hun woning en omgeving kunnen vergroten, zouden kunnen worden ingebed in een sturingskader. Geïnspireerd en uitgedaagd door EU-beleid en internationale kennisnetwerken pakken lokale overheden, gemeenten en waterschappen dit op soms ondersteund door of in samenspraak met provinciaal beleid. hier_opgewekt_monitor_2016 1 De veelal lokale programma’s voor energierenovatie en klimaatadaptatie zijn echter vaak van elkaar gescheiden en van een specialistische inslag. Dit slaat slechts aan bij geïnteresseerde burgers, die de programma’s begrijpen en de voorinvesteringen op kunnen brengen. Marktpartijen, zoals bouwbedrijven, projectontwikkelaars en beleggers, doen mee voor zover dit past bij de vraag en binnen de financiële kaders van een project. Hoewel deze inspanningen te prijzen zijn, is het onvoldoende. Rekening houdend met een levensduur van een woning van 70 tot 100 jaar is het overgrote deel van de toekomstige woningvoorraad al gebouwd. Maar de aanpassing van de bestaande woningvoorraad vergt een grote inspanning in de wijken. De versnipperde eigendomsstructuur maakt het lastig om de maatregelen, zo die al genomen worden, op elkaar af te stemmen. Bovendien dreigt ook hier een versterking van segregatie, met verschillende risicoprofielen per type woning of buurt. ‘Energiearmoede’ is een eerste begrip dat is ontstaan om uiting te geven aan deze ongelijkheid.

De rol van de centrale overheid zou kunnen bestaan uit:

  • Bied een integrerend overzicht van benodigde maatregelen en investeringen in wijken om weerbaar te zijn voor de toekomst. Dit overzicht kan dienen voor publieke en private investeerders, inclusief de individuele burger, afwegingen te maken welke investeringen te doen. Daarbij zou – gaandeweg – ook een tijdspad kunnen worden geboden, met daaraan gekoppeld een mate van vrijblijvendheid of verplichting. Beleid en regelgeving ten aanzien van de energieprestatie van woningen is een bekend voorbeeld van hoe gaandeweg normen kunnen worden aangescherpt en naleving kan worden verplicht
  • Bied een (verplichtend) kader voor juist die investeringen van collectief belang, die nu niet worden opgepakt door markt, burger en gemeente. Daar waar energiemaatregelen vaak te verantwoorden zijn vanwege kostenreductie voor de gebruiker, is er voor veel andere maatregelen niet zo’n directe koppeling te maken. Denk bijvoorbeeld aan de mislukte pogingen van diverse gemeenten om grasdaken te promoten ter vergroting van het vermogen om heftige regenbuien op te kunnen vangen en zo dure en inefficiënte centrale maatregelen als vergroting van de rioolcapaciteit te voorkomen. Een wenkend perspectief is nodig voor hoe deze investeringen een buurt weerbaarder kunnen maken voor de toekomst.
  • Pas het centrale en decentrale belastingregime aan om investeringen in weerbare woningen en buurten te bevorderen. Zo zijn in Duitsland experimenten om waterschapsbelasting aan te passen aan de mate van verharding van de kavel – iets dat met moderne technologie controleerbaar is; een systeem dat in een land als Nepal met enorme waterschaarste (en zonder technologische hulpmiddelen) al gebruikelijk is.

Lees meer over concrete voorbeelden van woongerelateerde klimaat- en energieopgaven

 

Diverse woonmilieus met sociaal-ruimtelijke samenhang

Mensen, sociale groepen, hebben de neiging om bij elkaar op te zoeken en bij elkaar te gaan wonen, met name op basis van klasse, opleiding en leefstijl. De grotere nadruk op eigenwoningbezit in het Nederlandse woonbeleid van de afgelopen twee decennia heeft deze tendens versterkt. Het ontstaan van verschillende typen woonmilieus is geen probleem op zich – een stad is juist gebaat bij echte diversiteit- maar wanneer dit op grotere schaal gebeurt dan kan dit schadelijk zijn voor de sociale samenhang, betaalbaarheid, gelijkheid van kansen, en de beheersbaarheid en kosten van sociale en economische problematiek. Het risico op segregatie qua sociaal-economische status, talent en cultuur dreigt op meerdere niveaus; stad, regio en landelijk.

In de stad dreigt een ongelijkheid tussen meer aantrekkelijke buurten in het centrum en nieuwgebouwde buurten aan de rand aan de ene kant en de naoorlogse periferie aan de andere. Dit geldt op dit moment vooral voor de Noordelijke Randstad maar ook andere grote steden laten een verandering zien. De zorgen om deze ruimtelijke tweedeling bestaan al langer, maar het gevolg van de groter wordende vraag betekent een stedelijke woningnood waar alle sociale groepen mee te maken hebben. Marktpartijen vinden het aantrekkelijk om te bouwen voor meer vermogende huishoudens. Ook gemeenten accommoderen dat graag. De vraag is dan wie de belangen van minder vermogende burgers behartigt. De sociale huursector geeft veel kansen maar staat op dit moment onder zware druk in het woonbeleid. Woningcorporaties zijn ooit ontstaan om het marktfalen in de bouw van woningen voor geschoolde arbeiders en lagere middenklasse op te vangen en kunnen deze rol nog steeds vervullen, eventueel samen met nieuwe wooncoöperaties gerund door burgers.

Op regionaal niveau, zien we de tegenstellingen tussen de succesvolle steden en omliggende gemeenten groeien. Vooral oude groeikernen uit de jaren 1970 en 1980 zullen in de komende jaren sociale neergang meemaken. De verouderende woningvoorraad kan de concurrentie met nieuwere buitenwijken in de regio niet aan en zal onder druk van de stad meer concentraties van armoede zien. Lage inkomens in een buurt hoeven geen probleem te zijn, maar de schaal van de wijken zal aanzienlijke beheersbaarheidsproblemen opleveren. Het is vergelijkbaar zijn met vernieuwingsopgave van de naoorlogse stadsbuurten eind jaren 1990, maar vele malen groter en, vanwege de eigendomsverhoudingen, vele malen complexer. Deze wijken kennen echter ook kwaliteiten en vooral kansen. Het zal ook aan de centrale overheid zijn om deze opgave op te pakken.
 

160829_Verstedelijking_kaart_realistisch

Bevolkingskrimp en –groei ten opzichte van woon-werkverkeer ©Vereniging Deltametropool, 2016

Ten slotte, zien we ook versterkte verschillen tussen de succesvolle regio’s in de Randstad en Noord Brabant en krimpgebieden aan de rand van het land. Als Nederland een stadsstaat is, dan is dit ook een vorm van segregatie. Zonder investeringen in economie, zal ruimtelijk en woonbeleid alleen de vergrijzing kunnen faciliteren en voorkomen dat fysiek verval intreedt in geval van bevolkingsafname. Nieuwe vervoersinfrastructuur kan de vraag naar woningen vergroten maar kan ook een bedreiging vormen voor de bestaande bedrijvigheid wanneer bedrijven zich liever vestigen in het centrum van ons land.

De centrale overheid kan door middel van woonbeleid en wijk(her)ontwikkeling sociaal-ruimtelijke ongelijkheid kunnen beperken. Enkele voorzetten:

  • Erken de woningnood in succesvolle steden en gebruik marktregulering om te blijven bouwen aan een diverse woningvoorraad die toegankelijk is voor iedereen. Dit vereist ook mogelijk maken van burgerinitiatieven en het strategisch inzetten en ondersteunen van bestaande woningcorporaties om de markt aan te vullen.
  • Dwing, indien nodig, regiopartners om afspraken te maken over nieuwbouwlocaties, koop en huur, en doelgroepen. Sommige gemeenten maken al afspraken in regionaal verband, maar een noodzaak tot afstemming kan een gezonde woningvoorraad waarborgen met homogene buurtjes in gemengde wijken.
  • Investeer in de komende vernieuwing van de naoorlogse woningvoorraad in regionale groeikernen, zodat deze gemeenten duurzaam vitaal blijven. Deze opgave biedt ook kansen voor de energieopgave.
  • Ontwikkel een woonvisie met betrekking tot krimpregio’s samen met een economische strategie: bouw voor nieuwe impulsen, of geleid de demografische transitie. In beide gevallen hebben lokale overheden richting en steun nodig.

Meer lezen over diverse woonmilieus

 

Publieke dienstverlening en voorzieningenniveau

Kwaliteit van wonen is ook gerelateerd aan het niveau, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen. Daarbij moet ook worden gedacht aan werkgelegenheid. De beschikbaarheid van banen voor met name laaggeschoolden dreigt in snel tempo af te nemen met het toenemen van de automatisering en de robotisering van de samenleving. Steden als Rotterdam, Schiedam en Delft kampen nu al met een zeer grote goedkope woningvoorraad die groepen huisvesten waarvoor nu al onvoldoende banen beschikbaar zijn. De rijksoverheid zou bij uitstek een rol kunnen vervullen in het aanpakken van deze problematiek (zie Next Economy essay). Een herpositionering van de regionale en lokale economie is nodig, waarbij voorkomen moet worden dat gemeenten en regio’s elkaar onderling gaan beconcurreren om werkgelegenheid (alhoewel dit nooit helemaal kan worden voorkomen). De economische perspectieven van gemeenten zijn doorgaans ook gerelateerd aan de draagkracht voor voorzieningen. Met de decentralisatie van veel maatschappelijke zorg dient voorkomen te worden dat juist gemeenten met veel zorgvragers weinig budget hebben voor de invulling van die vraag, maar bovenal geen geld meer over hebben voor de financiering van andere sociale en culturele voorzieningen die bijdragen aan leefbaarheid, zoals groenvoorziening en parken (juist van belang voor klimaatadaptatie), zwembaden en andere sportfaciliteiten, etc.
 

digitalisering

Stuur digitalisering ©Vereniging Deltametropool, Maak Ruimte, 2015

De beloften van de digitale infrastructuur, met bijbehorende voorzieningen als geïndividualiseerd collectief vervoer (zoals Uber), de bereikbaarheid van voorzieningen als gezondheidszorg, scholing en boodschappen vanuit huis, zijn groot. De beschikbaarheid, toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van deze infrastructuur wordt nu bepaald door private partijen, de aanbieders. Dat dit tot ongelijkheid kan leiden blijkt al uit de jarenlange strijd van sommige plattelandsgebieden om snel internet. De voordelen van de digitale samenleving zouden zonder condities van de centrale overheid tot ongelijkheid tussen buurten, wijken, steden en regio’s kunnen leiden. Daarnaast vereist de digitale infrastructuur een zekere mate van geletterdheid en vaardigheid om hiermee om te kunnen gaan. Ook dit kan verdere ongelijkheid van toegankelijkheid van voorzieningen versterken – zeker daar waar basisvoorzieningen als contact met de gemeente en aanbieders van andere voorzieningen op gebied van wonen, werk en gezondheid in sterke mate zijn gedigitaliseerd.

In steden waar de druk op de woningmarkt hoog is, zal de digitale voorziening sneller op orde zijn vanwege de grote vraag ernaar. Hier speelt juist gevaar van te weinig oog voor ‘low-tech’ voorzieningen, zoals groen, parken, speelpleinen, buurthuizen, bibliotheken, speeltuinen en sportvelden. Het is verleidelijk voor groeigemeenten om zich vooral te richten op het ontwikkelen van wonen en economische activiteiten. Echter, het zijn juist deze voorzieningen die niet snel door de marktomstandigheden gearticuleerd worden, terwijl die cruciaal zijn voor de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en weerbaarheid van een stad. Experimenten met burgerinitiatieven op dit vlak in recente jaren laten zien dat succes mogelijk is maar dat de overheid nog steeds garant moet staan voor een minimaal niveau, en dat toegankelijkheid verzekeren voor de sociaal zwakkere groepen gewenst blijft.

Veel van het bovenstaande kan worden opgelost door lokale overheden en burgers. Toch zien we ook een rol voor de rijksoverheid:

  • Garandeer minimale aanwezigheid wat betreft publieke ruimte en groen, bereikbaarheid met openbaar vervoer, en basisvoorzieningen voor gezinnen, ouderen, en lage inkomens. Dit zou eventueel kunnen door middel directe controle of door middel van gebiedende verordeningen zoals het verbod op coffee shops in de nabijheid van scholen. Met het oog op de bestaande complexiteit in ruimtelijke ordening is een flexibel systeem is echter wel gewenst; het dient vooral de kwaliteit van buurten te bevorderen in plaats van te belemmeren, iets wat vaak het geval is als regels op instrumentalistische wijze worden toegepast.
  • Zorg dat de verdergaande digitale dienstverlening alle burgers bereikt. Dit houdt in dat digitale infrastructuur overal op orde is, ook buiten dichtbevolkte gebieden, en dat de publieke dienstverlening via ICT makkelijk toegankelijk is en dat er altijd alternatieven zijn voor (digitaal) ongeletterden.
  • Benut transformatie- en woningbouwopgaven om de connectie tussen stad en ommeland te versterken. De transformatie van de bestaande woningvoorraad biedt, eventueel in combinatie met nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van reeds bestaande stad en voorzieningen, ruimte voor versterking van groen-blauwe structuren die nodig zijn voor recreatie, lokale energieopwekking, het tegengaan van hitte-eilandeffecten en waterberging. Een goed ontwerp is daarvoor cruciaal, evenals goede kaders.

Meer over publieke dienstverlening en voorzieningenniveau

 

Tot slot

Beleidsmakers noch academici beschikken over een glazen bol en de toekomst laat zich lastig voorspellen. De ruimtelijke ordening van nieuwbouw en het aanpassen van bestaande woningbouw behelzen grote investeringen over langere tijd, en is een steeds drukbevolkter speelveld. De overheid is zich daarbij terughoudender op gaan stellen en minder gaan opleggen, waarschijnlijk ook omdat er genoeg voorbeelden van verkeerd keuzes zijn. Een van de bekendste is de ontwikkeling van de Bijlmermeer. Vijftien jaar na oplevering van deze hoogbouwwijk begon het sloopwerk al. Het is daarmee symbool komen te staan voor een verouderd idee van maakbaarheidsdenken in beleid geworden. Toch is de neergang van de Bijlmermeer niet alleen het gevolg geweest van verkeerde planning en ontwerp maar ook van een gebrek aan coördinatie op het gebied van nieuwbouw in de regio, en van een centrale overheid die zijn handen terugtrok in tijden van economische crisis.

Het is niet aan de staat om het wonen in de eenentwintigste eeuw eenzijdig op te leggen, maar nietsdoen is ook geen optie. Een teruggetrokken of afstandelijke rijksoverheid ‘maakt’ ook de maatschappij en vormt ook het Nederlandse landschap. Het leunen op marktpartijen of burgers is ook een vorm van idealistisch maakbaarheidsdenken, inclusief de mogelijke nadelige gevolgen. De ontwikkeling van lokale en regionale woningmarkten is een proces dat zich ook afspeelt op die schaalniveaus en waarin marktpartijen en lokale overheden elkaar vaak prima kunnen vinden en tot mooie resultaten komen. De sturende rol van de rijksoverheid uit zich in het stellen van kaders en bieden van condities voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige woonomgevingen. De governance-structuur van adaptieve en flexibele netwerken biedt kansen om de sturende rol van de overheid vooral vanuit het besef van een meerlagig bestuur in te vullen; waarbij sturing en controle in interactie, kaderscheppend, stimulerend, plaatsvinden in plaats van star, op afstand, kaderstellend en belemmerend.

Het is niet aan de staat om het wonen in de eenentwintigste eeuw eenzijdig op te leggen, maar nietsdoen is ook geen optie. Een teruggetrokken of afstandelijke rijksoverheid ‘maakt’ ook de maatschappij en vormt ook het Nederlandse landschap.

Echter, juist op die aspecten die door de onzichtbare hand van de markt worden gemist, maar die zo hard nodig zijn om de toekomstige woonkwaliteit te borgen kan de rijksoverheid het verschil maken, en is zij ook gelegitimeerd het verschil te maken. Zo is het succes van de energiezuinige, nul-op-de-meter of zelfs de energieproducerende woning vooral te danken aan een starre, niet onderhandelbare normstelling die gedurende vele jaren stap voor stap is aangescherpt. En zo heeft de instelling van de Deltacommissaris ervoor gezorgd dat de waterveiligheid van grote gebieden in Nederland in korte tijd is verbeterd. Beide processen worden breed gedragen in de samenleving. De rijksoverheid heeft een bijzondere rol en acteert naast burger en markt als risicodrager, als investeerder, als onderhandelaar, en als soevereine macht met als ‘eigenbelang’ duurzaamheid, sociale samenhang en goede, leefbare woonmilieus voor iedereen.

 

 

 

 


Essayisten

Ellen_van_Bueren CroppedEllen van Bueren

Ellen van Bueren is hoogleraar Urban Development Management bij de Faculteit Bouwkunde. Van Bueren laat zich al haar gehele loopbaan, die ooit is begonnen bij een stedenbouwkundig bureau, leiden door haar belangstelling voor het bestuur, beheer en governance van duurzame stedelijke ontwikkeling. Kennis ontwikkelt zij vaak in samenwerking met de praktijk.
Foto: ©Ellen_van_Bueren

wouterVG CroppedWouter van Gent

Wouter van Gent is docent en onderzoeker stadsgeografie bij de UvA en Wouter van Gent. Hij doet onderzoek naar woon- en stedelijk beleid, achterstandswijken, Wijkvernieuwing, (overheidsgeleide) gentrification, sociale mix en extreem recht populistisch stemgedrag.
Foto: ©Wouter VG


 

2 Reacties

  • 2016-12-19 15:09:40
    Jos Sluijsmans
    Creatief fietsondernemer

    Aanvullende info van de Fietsersbond op mijn eerdere opmerking over de fietsenberging: Fietsenberging in gevaar

  • 2016-12-19 13:28:31
    Jos Sluijsmans
    Creatief fietsondernemer

    De fiets en bakfiets mag expliciet genoemd worden als basisvervoermiddel voor prettig wonen in de steden. Wij vinden de (bak)fiets in Nederland heel normaal, maar als we hem vergeten te noemen, verdwijnt hij ongemerkt uit beeld. Het is van belang dat in het Bouwbesluit de eis van een (fietsen)berging expliciet vemeld blijft.