Geplaatst door: Oedzge Atzema Hoogleraar Economische Geografie at Universiteit Utrecht di 7 mrt

Oedzge Atzema: Van Topsectorenbeleid naar Topnetwerkenbeleid

De verkiezingen op 15 maart leveren waarschijnlijk een panoramisch politiek landschap op. De kans is groot dat er een breed samengesteld kabinet komt bestaande uit verschillende middenpartijen. Duurzame ontwikkeling is één van de weinige punten dat deze partijen verbindt. Wel werkt elke partij deze doelstelling verschillend uit.

 

 

Uit een vergelijking van Gert Jan Kramer, hoogleraar duurzame energievoorziening aan de Universiteit Utrecht, blijkt dat de meeste politieke partijen zich in hun verkiezingsprogramma’s scharen achter de doelstelling dat Nederland in 2050 klimaatneutraal zal zijn. PVV doet als enige niets aan duurzaamheid. Conservatieve partijen, zoals VVD en CDA, vertrouwen op technologische innovaties. Progressieve partijen, zoals SP, PvdA, D66, Groenlinks  en CU, zetten in op specifieke technische oplossingen, zoals energieneutraal bouwen, elektrische auto’s, windparken, CO2 opslag en –afvang, en natuurlijk minder gas uit Groningen. ChristenUnie en Groenlinks komen de eer toe de meest ecologisch getinte programma’s te hebben; programma’s waarin economische groei ten koste van ecologische kwaliteit tenminste ter discussie wordt gesteld. Bij de VVD, en in minder mate het CDA, heeft bevordering van economische groei prioriteit en doet men in het duurzaamheidsbeleid een beroep op meer onderzoek en wetenschappelijke kennis. De overige partijen proberen ecologische kwaliteit en economische groei met elkaar te verenigen en geven daarmee een brede en pragmatische invulling aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling.

 

‘Next Economy’

Tegen deze achtergrond is het duidelijk dat de fundamentele omwenteling die met het begrip ‘Next Economy’ wordt beoogd te ingrijpend is om een rol van betekenis te spelen in de huidige verkiezingsstrijd. De meeste partijen zijn té blij met het herstel van de economische groei om zich zorgen te maken over de inrichting van de economie op langere termijn. Dat is jammer, want de ‘Next Economy’ moet het hebben van de bereidheid van politici, maar ook van ondernemers en consumenten, om te breken met huidige routines. Maarten Hajer is als interim curator van de Internationale Architectuur Biennale Rotterdam en tegenwoordig als hoogleraar Urban Futures aan de Universiteit Utrecht één van de pleitbezorgers van de ‘Next Economy’. Hij stelt onomwonden dat het zinloos is om een duurzaam compromis te vinden tussen economie en ecologie zonder de bestaande economie te re-configureren. Dat betekent volgens hem dat de kiezer de huidige dominante, op individualistische bezit gerichte leefwijze moet inruilen voor meer gemeenschappelijk toekomstperspectieven. Slechts een minderheid van de kiezers en dus gekozenen is daartoe op dit moment bereid. Dat maakt de noodzaak groter om daar in de komende kabinetsperiode aan te gaan werken.

Volgens velen bevinden we ons op een kantelpunt in de geschiedenis. Maar het is altijd lastig te bepalen om welk kantelpunt het dan gaat. Er wordt in ieder geval een grote urgentie gevoeld om in economisch en politiek opzicht nieuwe paden te bewandelen. Het besef groeit dat de sinds het begin van de jaren tachtig  gangbare neoliberale aanpak een doodlopende weg is. Een weg die geplaveid is met privatisering, deregulering, decentralisatie en diverse ‘bubbels’. De economie zal ecologisch duurzamer en sociaal evenwichtiger moeten worden ingericht. De ‘Next Economy’ biedt daarvoor volgens ons een zinvol denkkader. Een denkkader dat in het teken staat van het leggen van nieuwe conceptuele, ruimtelijke en sectorale verbindingen in een wereld die aan tegenstrijdigheden dreigt ten onder te gaan. Een kader dat overigens nog wel de nodige concretisering behoeft.

Conceptueel kan de ‘Next Economy’ worden opgevat als een noodzakelijke utopie. Het verwijst naar een situatie die nog niet bestaat, maar wel zou moeten bestaan. Vandaar het woordje ‘next’. In de ‘Next Economy’ staat de economische sector niet langer op zichzelf, maar vormt een ondeelbaar geheel samen met ecologie, ruimte en samenleving. De ‘Next Economy’ is duurzaam, slim en inclusief tegelijk. Experimenten zijn de belangrijkste katalysatoren van de ‘Next Economy’ met verdichting, collectief vervoer en energietransitie als belangrijkste thema’s. In sociale zin staat de bestrijding van de groeiende ongelijkheid voorop. Compacte steden zijn de aangewezen locaties om de ‘Next Economy’ van de grond te krijgen. Dit vraagt om een ondernemende overheid.

 

Kan de nationale politiek de ‘Next Economy’ dichterbij halen?

Ja, en wij denken daarbij aan twee dingen.

In de eerste plaats zou de nationale politiek stedelijke ‘Next Economy’ experimenten vaker financieel moeten faciliteren. Daarbij zou de nationale politiek het doel moeten hebben om het collectieve leerproces van deze experimenten via positieve ‘feedbacks’ te stimuleren. De ‘Next Economy’ bloeit door uitwisseling van informatie en kennis tussen de voornamelijk stedelijke experimenten. Die uitwisseling heeft naast een uitnodigend publiek domein ook een verzamelpunt nodig. Er is behoefte aan een nationaal archief voor de toekomst.

In de tweede plaats moet het bestaande Topsectorenbeleid  van het ministerie van Economische Zaken worden vervangen door een Topnetwerkenbeleid waarbij flexibele en nieuwe verbindingen tussen sectoren, stedelijke experimenten en handelingsperspectieven worden gelegd. Op dit moment is er sprake van verkokerd sectorbeleid. Het zou een mooi begin zijn als de partijen in het nieuwe kabinet het perspectief van de ‘Next Economy’ zouden omarmen en dus alternatieve duurzame principes gebruiken om sociaaleconomische vernieuwingen daadkrachtig tot stand te brengen. Een tweede minister van Economische Zaken, maar dan voor Topnetwerken, of breder geformuleerd voor Re-Configuratie, zou daarbij behulpzaam kunnen zijn. Dat is dan een vergelijkbare figuur als de huidige minister voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, of zoals vroeger een minister voor grote steden- en integratiebeleid als onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Een dergelijk ministerie moet op het gebied van duurzame ontwikkeling de verbindende schakel zijn tussen alle ministeries en met de steden waar de ‘Next Economy’ experimenten plaatsvinden. Dit zou een versnelling en een verbreding bewerkstelligen van het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen waar de partijen die waarschijnlijk het nieuwe kabinet vormen op zich voorstander van zijn. Zo’n ministerie moet ingericht zijn volgens de principes van de ‘Next Economy’, dat wil zeggen digitaal, transparant en communicatief alsmede innovatief en duurzaam en gericht op markten en het behalen van maatschappelijke winst. Het zal nog een hele klus worden om aan al deze min of meer tegenstrijdige verwachtingen te voldoen. Maar ook dat is een kenmerk van de ‘Next Economy’.

Oedzge Atzema en Robbert Coops, 2 maart 2017

  • Hajer, M. (2016), The Next Economy, curator statement. In: The Next Economy, IABR 2016.
  • Hajer, M (2016), Denk-beelden van de stad en de veranderende rol van het ontwerp. In: The Next Economy
  • Kramer, G.J. (2017), Energie en Klimaat in de verkiezingsprogrammá van de Nederlandse politieke partijen. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht

0 Reacties