Geplaatst door: Jannemarie de Jonge Wing di 31 jan

Veel meer dan farming!

Naar een inclusieve landbouw

Het debat over landbouw en voedsel intensiveert en wordt breed in de maatschappij gevoerd. Vriend en vijand verklaren het huidige voedselsysteem als doodlopende weg en aan ambities voor voldoende, veilig, gezond en duurzaam voedsel geen gebrek. Maar voedselproductie is geen doorsnee sector. Om daar te komen zullen we een aantal heilige huisjes bespreekbaar moeten maken. Alleen dan kunnen we de gunstige uitgangspositie van Nederland verzilveren.

Klimaatonderzoeker prof. Pier Vellinga poneerde onlangs in de Rode Hoed: “Wat betreft fossiele brandstof is de pap gestort en gaan we de komende decennia naar hernieuwbare energiebronnen. Nu moet alle aandacht naar het robuust en ecologisch houdbaar maken van ons voedselsysteem.” Of ik zijn optimisme over de energietransitie deel betwijfel ik, maar zijn hartenkreet over het voedselsysteem des te meer.

Waar het debat zich lang beperkte tot de incrowd van boeren, buitenlui en ‘Wageningen’, roeren burgers zich steeds meer. Debatseries in de Rode Hoed, opkomst van stadslandbouw, florerende platforms zoals Foodlog, een keur aan kookprogramma’s op TV, smaaklessen, Agri meets Design in de Dutch design week, een heuse Youth Food Movement, booming studentenaantallen in Wageningen, een WRR advies over voedselbeleid, de eerste gemeenten met een wethouder voedselbeleid: de aandacht neemt toe, het debat intensiveert en raakt – gelukkig- steeds beter geïnformeerd.

 

Fundamentele vernieuwing nodig

In al deze aandacht lijken vriend en vijand het erover eens dat het huidige systeem van landbouwproductie een doodlopende weg is. De urgente transitieopgave van de landbouw is intensief verbonden met andere grote transities: economie, klimaat, demografie en technologie. Nederland verstedelijkt, grond en arbeid is duur, we moeten ons aanpassen aan een wispelturig klimaat met pieken van teveel en te weinig water; bodemdaling, verzilting, CO2 uitstoot en schaarste aan grondstoffen en mineralen vragen een antwoord. Daar komt bij dat burgers steeds kritischer naar de landbouw en de effecten op de omgeving kijken en dat zelfs onze beste bodems uitgeput dreigen te raken. Deze opeenstapeling van uitdagingen kunnen we niet meer te lijf met hier en daar wat verbeteren, aan- en inpassen. Het vraagt een fundamenteel vernieuwende visie op voedsel en landbouw. Het Wageningse huisorgaan, de Resource, kopte in het nummer van 26 januari niet voor niets ‘Pleidooi voor radicaal andere landbouw’. De Nationale Voedseltop, eveneens 26 januari, sloot af met een slotverklaring die door veel betrokken partijen is ondertekend. De kop hiervan luidt: Voldoende, veilig, gezond en duurzaam voedsel voor iedereen! De portee van de verklaring is dat de voedselproductie onontkoombaar verandert, dat de aarde de huidige wijze van voedselproductie niet aankan, dat we over 5 tot 10 jaar wereldwijd de onbetwiste koploper willen zijn in veilige, gezonde en duurzame voeding en een duurzame land- en tuinbouw. Het meest voorkomende woord in de verklaring lijkt ‘we’: zonder samenwerking komen we er niet.

 

Heilige huisjes

De toenemende aandacht voor het voedsel en landbouwvraagstuk betekent nog niet dat voor zo’n vernieuwende visie de pap al gestort is, om de voedselmetafoor van Pier Vellinga nog maar te herhalen. We draaien regelmatig om de hete brei heen. Ook de Voedseltop heeft weinig aandacht voor de ruimtelijke component van de transitie, en de (benarde) positie van boeren daarin.

Ik benoem vier heilige huisjes die we bespreekbaar zullen moeten maken.

1. Heilig landschap:

We leven niet meer in de tijd van de Aardappeleters, en willen daar ook niet naar terug. Tegelijk is er een verlangen naar de landschappen die we kennen van de topkaarten rond 1850. De transformatie die eraan komt is minstens zo ingrijpend als die van de keuterboertjes ten tijde van Van Gogh, naar de intensieve veeteelt van nu. Vakgenoot Dirk Sijmons stelde al eens dat we als landschapsliefhebbers ‘collectief in therapie’ zullen moeten als we van fossiel naar hernieuwbare energie gaan; daar komt de klimaatopgave en bodemdaling nog bovenop. Circulaire, klimaatneutrale land- en tuinbouw en veeteelt, in een landschap dat tegelijk is opgewassen tegen risico’s van klimaatverandering, ziet er behoorlijk anders uit dan we gewend zijn. De koe in de (veen)wei is geen houdbaar beeld, hooguit als gesubsidieerd cultuuricoon in een toeristisch decor. We zullen nieuwe landschappen moeten gaan accepteren. Daarbij kunnen leren van de vorige grote verbouwing van het landelijk gebied. De naoorlogse ruilverkavelingen, door velen verguisd vanwege het verlies aan kleine landschapselementen, lijken aan een herwaardering toe, aldus Henk Baas, hoofd afdeling landschap van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Meet Up Voedsel georganiseerd door het Kadaster,18 januari 2017). Nadrukkelijke aandacht voor landschapsontwikkeling zal meer dan ooit nodig zijn. Ontwerpend onderzoek heeft in het verleden zijn nut bewezen. Hoe gaan we de op handen zijnde grote landschappelijke verbouwing ook nu weer met liefde en zorg begeleiden? Waar ligt daarvoor de regie?

2. Heilig vertrouwen in marktwerking en ondernemersvrijheid.

Vooropgesteld, dit is niet mijn expertise. Maar het veelgehoorde argument ‘dat de consument meer moet betalen als ze een andere productiewijze wil’, gaat maar ten dele op. Landbouw staat voor meer dan het leveren van doorsnee consumentenproducten. Het raakt aan gezondheid van mens, dier, en het ecosysteem. Landbouw bepaalt nog steeds bijna tweederde van het grondgebruik. Daarmee is het vergelijkbaar met zaken als water, energie, huisvesting, transport. Dat vraagt sturing op de publieke belangen die in het geding zijn. Daar komt bij dat de machtsbalans in de sector zodanig geconcentreerd is bij enkele sterke blokken, dat de uitersten van de keten, de primaire producent en de consument, tot op heden niet echt een verschil kunnen maken. Theo Thewessen, directeur bij Geodan en lector aan de HAS, duidt de huidige crisis als disbalans tussen producent, consument en omgeving. Zijn analyse en nieuw perspectief kreeg veel steun tijdens de eerder genoemde Meet Up Voedsel: een ‘Internet of Food’ zal de keten transparanter maken, de keten kunnen verkorten en consument en producent dichter bij elkaar brengen. Hoe versnellen we deze disruptieve technologie, en zeker zo belangrijk: hoe voorkomen we dat er beperkte toegang of een monopolie op big data ontstaat?

3. Heilige grond van het familiebedrijf.

Een belangrijk principe van ruimtelijke sturing is: de juiste activiteit op de juiste plaats. Als een bedrijf in de stad zich slecht verhoudt met de omgeving vanwege overlast, of beter kan floreren in de nabijheid van andere bedrijven, dan wordt daar een andere, passende locatie voor gezocht. In de landbouw sturen we maar beperkt op dit soort synergie, en ondanks regelgeving zijn de verhoudingen met de omgeving regelmatig gespannen. Door schaalvergroting kampen we ook al decennia met de opgave van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB’s). Dat is niet alleen een ruimtelijk probleem, maar ook een sociaal economisch probleem. Het vastgoed is vaak de pensioenvoorziening. En dan is er de emotie. Als je familie eeuwenlang ergens heeft geboerd is de band met dat land een heel bijzondere. Landbouw is ook hierom niet een doorsnee economische sector. De transformatie van het landelijk gebied is voor zowel de wijkers als bedrijven met een opvolger een onzekere periode. Ook de financiële last van bedrijfsovername is vaak zwaar. Zijn hier nieuwe organiserende principes voor? Hoe gaan we zorgvuldig, vernieuwend en verantwoord om met die sociaal economische en emotionele aspecten van een ingrijpende transformatie?

4.Heilig geloof in puur natuur, óf in technologie.

Ook ik eet graag lekker kneuterig sla uit eigen tuin. Daardoor weet ik wat zo’n kropje aan inspanning kost en verbaas me erover voor welke spotprijs ik het in de winkel kan kopen. Ik laat me overtuigen door de feiten dat technologie niet alleen menswaardiger werkomstandigheden brengt, maar ook efficiënter gebruik van productiemiddelen als grond of water. Ik laat me ook overtuigen door boeren die zich ernstig zorgen maken over de kwaliteit van de bodem, en zich daarom toeleggen op biologische landbouw, permacultuur, geïntegreerde landbouw, natuur inclusieve landbouw, precisielandbouw, of nog andere stromingen. Dit roept vast boze reacties op, omdat ik alles op een hoop gooi. En dat is precies wat me dwars zit: dat het vaak lijkt op een geloofsstrijd. De uitdagingen van nu (voedselzekerheid, voedselveiligheid, omgevingskwaliteit) vragen net zo goed om nieuwe toepassingen van ‘oude kennis’, als om verantwoorde toepassing en ontwikkeling van ‘nieuwe kennis’ die technologie brengt. Kunnen we het voedseldebat zo voeren dat er respect is voor feiten en waarden, dat elk paradigma kritisch naar de eigen blinde vlekken durft kijken, dat er ruimte is voor een grote diversiteit aan experimenten en juist kruisbestuiving kan ontstaan tussen stromingen?

 

Niet voor niets gebruik ik de term heilige huisjes. Het zijn onderwerpen waarop heilig vuur zit, overtuiging vanuit het hart, niet (alleen) vanuit het hoofd. Elk heilig huisje eindigt met vragen, want ik heb er nog geen antwoorden op.

 

Het zijn onderwerpen die moed vragen om ze aan de orde te stellen, uitstel van oordeel om elkaar echt te begrijpen, leiderschap om knopen door te hakken. Het politieke debat met zijn one liners, kortademigheid en scoringsdrift is hiervoor niet de juiste omgeving. Het vraagt (nieuwe) plekken voor publieke bezinning met geduld voor trage gesprekken en een lange termijn blik.

 

Goud in handen

De transformatieopgave is groot, maar Nederland heeft goud in handen.

We hebben een toppositie qua agro-kennis. Aan kennisexport kunnen we meer verdienen dan aan meer van hetzelfde agroproduct. We kunnen van Nederland een groot Living Lab maken waarin praktijkkennis en formele kennis samenkomt. Wageningen is groot(s), maar voor deze opgave toch te klein. Er is meer verbinding nodig tussen agro-kennis, ecosysteemkennis, informatietechnologie, industriële ecologie/ circulaire productiesystemen, maar ook gamma kennis om innovaties te begeleiden, ontwerpkennis om integratie, creativiteit en verbeelding te bevorderen. En niet te vergeten verbinding met de maatschappelijke dialoog en voedseleducatie.

We hebben een unieke groene deltametropool: het mozaïek van stedelijke regio’s, grote open ruimte en gemengde overgangsgebieden, is een waardevolle uitgangspositie om te laten zien hoe je in een dichtbevolkt gebied iedereen kan voeden met behoud van omgevingskwaliteit. De ruimtelijke karakteristiek en de infrastructuur geven plek aan een breed palet van hightech industriële (circulaire) productie, gemengde bedrijfsvormen (agrarische productie in combinatie met groene en blauwe diensten) tot en met grootschalige grondgebonden productie/ precisielandbouw. Als we dat ten volle willen benutten moeten we bereid zijn gebiedsgericht te sturen; het type bedrijf moet (zich aan)passen in de gebiedskarakteristiek en niet andersom.

We kennen een traditie van overleg en rentmeesterschap. Van de waterschappen als oude samenwerkingsvorm, tot de traditioneel sterke planningscultuur die nu met de Omgevingswet een nieuwe fase ingaat. Het Deltaprogramma is een krachtig voorbeeld van lange termijn denken dat internationaal aandacht trekt. Als we onze instrumenten, kennis en tradities ook inzetten voor de voedselopgave, kunnen we daarmee een vergelijkbare aandacht trekken.

Politieke uitdaging

Het Manifest dat voortkwam uit het Jaar van de Ruimte 2015 zei over landbouw: Breng agrarische productie in balans met de omgeving; naar een footprintloze landbouw met meer toegevoegde waarde’. Als stip op de horizon staat die inhoud nog rechtovereind.

Wat heeft een nieuw kabinet hierin te doen? Volgens de deelnemende politici aan het nieuwjaarsdebat 2017 van het Maatschappelijk Café hoort voedsel en landbouw een belangrijke plek te krijgen in de verkiezingen en het regeerakkoord. In de meeste verkiezingsprogramma’s is nu groeiende aandacht voor de noodzaak van een voedselbeleid, een aantal partijen bepleit een nieuw Ministerie van Voedsel. Bij het debat was een meerderheid voor de politieke ambitie om de Nederlandse agri-food sector binnen 10 jaar klimaatneutraal en circulair te maken. De overheid moet dan, net als bij de energietransitie, miljarden investeren om dat mogelijk te maken. De slotverklaring van de Voedseltop durft overigens geen termijn te noemen: ‘op langere termijn wordt onze voedselproductie klimaatneutraal. We gaan de reststromen uit de voedselketen hoogwaardig hergebruiken in het kader van de circulaire economie.’

 

Uit de gesprekken en berichten van de afgelopen periode, via Wij Maken Nederland en talloze andere platforms en organisaties, haal ik drie hoofdpunten als boodschappen voor een nieuw kabinet.

1. Werk aan een fundamenteel vernieuwende visie op voedsel en landbouw. Niet door een top down Nationaal Voedseldebat. Ook niet via een beleidscircuit met veel bestuurlijke drukte. Meer een landsbreed programma waarin na een open call , ondersteuning en regie geboden wordt om de heilige huisjes bespreekbaar te maken. Versterk initiatieven die werken volgens de regels van ‘het goede gesprek’ (zoals openheid, respect voor feiten en waarden, diversiteit) en borg brede betrokkenheid vanuit sector, politiek, overheid, kennis, maatschappij. Maak er een cross mediale aanpak van, geef ruimte aan goede onderzoeksjournalistiek en wetenschappelijke reflectie.

2. Verbind dit met het verzilveren van het ‘Nederlandse goud’: de kennisinfrastructuur, de groene deltametropool, de (polder)cultuur van planning, overleg en rentmeesterschap. Zet ambitieuze, interdepartementaal gedragen experimenten op waarin Nederland als Living Lab vorm krijgt om het huidige landbouwsysteem om te vormen tot een inclusieve landbouw: voedselproductie die rekening houdt met brede maatschappelijke doelen, sociaal, economisch, ecologisch, cultureel. Het beprijzen (true pricing) van deze maatschappelijke kosten en baten zou hierin een doorbraak kunnen betekenen. Deze aanpak klinkt ook uit de nieuwjaarsrede van Maarten Camps (Secretaris Generaal EZ), waarin hij het voorbeeld geeft van CO2 beprijzing. Hij pleit met de oproep ‘durf te leren’ voor experimenten: “Experimenten leveren waardevolle kennis op, kennis die de overheid in staat stelt om burgers en bedrijven beter te bedienen en zo maatschap­pelijke doelen te bereiken”. Bij het leerproces naar inclusieve landbouw geldt: landbouw is te belangrijk om over te laten aan de landbouwsector. De scope is immers circulair, klimaatneutraal, voedselzekerheid, voedselveiligheid, maatschappelijke meerwaarde, omgevingskwaliteit. Dat vraagt om betrokkenheid die horizontaal door maatschappelijke geledingen en diagonaal door alle de overheden heen loopt; om praktijken die het landelijk gebied te buiten gaan, juist ook in en om steden, havens, de grote wateren, zelfs natuurgebieden doen mee. De huidige ruimtelijk functionele typologie stamt uit het industriële tijdperk en is in een circulair en post fossiel systeem aan herziening toe.

3. Verbind Haagse beleidsvragen en beleidsontwikkeling aan de praktijkmensen uit het Living Lab; vraag hun serieuze adviezen in ruil voor de geboden ondersteuning. Voorbeeld: het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gaat na 2020 een nieuwe fase in; hoe pakt het GLB uit in jullie praktijk, hoe kan dat beter? Of: de Omgevingswet treedt in 2019 in werking. Wat is nodig om deze goed te laten werken? De gebiedspraktijken worden op deze manier een bron van kennis voor Haagse departementen. Voor wat hoort wat. En passant regelen we nog iets anders: het Haagse werk wordt relevanter, leuker, trefzekerder. Daar kan niemand op tegen zijn.

 


 

Auteur

Jannemarie de Jonge
Jannemarie@wing.nl

0 Reacties