1 reactie
Geplaatst door: Peter Heerema Vrijdenker di 1 dec

Wie maakt de ruimte in Nederland?

Dit is een algemene reactie op het Manifest.

Ik ben blij met het Manifest Wij Maken Ruimte. Met groot respect voor de ideeën, standpunten en het vele werk dat verzet is, heb ik er kennis van genomen. Het is een nuttig openbaar programmatisch geschrift geworden.  Alleen deel ik de standpunten niet. Daarom ondersteun ik het Manifest niet. Zelf zie ik het Manifest vooral als handreiking voor professionele reflectie en kritiek. Worden de (naar mijn bescheiden mening) juiste issues geagendeerd? En: geeft het Manifest voldoende houvast richting 2040? Ik leg jullie graag mijn twijfel voor. Dat betreft drie onderwerpen: verantwoordelijkheid, opgaven en de RO-arena. Overigens opmerkelijk: het komt niet vaak voor dat een ruimtelijk document verschijnt zonder kaartbeeld(en).

Mijn eerste punt gaat over verantwoordelijkheid. De denklijn in het Manifest is dat de overheid wil terugtreden en optreden tegelijkertijd. Dat wil zeggen: meer ruimte maken voor maatschappelijke initiatieven, maar tegelijkertijd ruimte dichtregelen of het initiatief voor de oplossing overnemen omdat de oplossing van burgers zou kunnen leiden tot uitkomsten die de overheid niet wenst of niet heeft voorzien. Dat herken ik vooral in de introductie van het Manifest: we moeten de gaafste metropool van de wereld worden, dingen gaan niet vanzelf goed, er is gebrek aan liefde, het levert nu geen mooiere gebieden op etc. Wat een onzin! Het is maar vanuit welk perspectief je dat bekijkt en wie die “wij” is die Nederland maakt. Gaat het niet zoals “wij” dat willen, dan is “stevig vastpakken het devies” (p.3).

Wat ik hier mis is de opvatting over de rol van een overheid die de vrijheid van burgers beschermt en de ondergrens in bestaansvoorwaarden definieert. Ik wil gewoon dat de politiek basiscondities voor iedereen in dit land zodanig honoreert dat de capaciteiten van mensen zo goed mogelijk tot hun recht kunnen komen. Bij die condities denk ik heel basaal aan onderdak, voeding, vrije verplaatsing, gezondheid, bescherming tegen geweld, respect voor eigendomsrechten etc. De individuele rechten op ontplooiing (“de wezenlijke strevingen van individuen en groepen in de samenleving”, zie eerdere RO-nota’s), zelfbeschikking en zeggenschap vormen de uitgangspunten.

Ik zou het Manifest kunnen steunen wanneer deze sturingsfilosofie meer zou doorklinken. Dat betekent op de eerste plaats accepteren van de uitkomsten van beslissingen van burgers, ook wanneer die niet stroken met de verwachtingen van de overheden, tenzij een kritische grens (bijv. wettelijke verplichting) wordt overschreden. Op de tweede plaats betekent dit ook het bewaken dat zwakke belangen worden gearticuleerd en gerepresenteerd (en waar nodig met specifieke arrangementen worden ondersteund), dat negatieve effecten niet worden afgewenteld en dat eventuele geleden schade wordt gecompenseerd (RMO, 2005). Het debat over het Manifest zou in dit verband vooral moeten gaan over ons moreel perspectief uit oogpunt van rechtsgelijkheid, solidariteit, duurzaamheid, vrijheid, rechtvaardigheid etc. Dit open gesprek over waarden (in welk Nederland willen we eigenlijk leven?) mis ik.

Mijn tweede punt gaat over de opgaven. Over het geheel genomen mis ik een beetje dat de agenda de koers uitzet richting 2040. Als we kijken naar wat allemaal niet in de afgelopen 25 jaar veranderd is, dan blijft de agenda toch wel akelig dicht bij het heden. De eerste opgave (stedennetwerk) borduurt verder op de economische invalshoek van de Vierde nota. Kernpunten zijn het versnellen van fysieke verplaatsingen en bereikbaarheid. Ik geloof er helemaal niks van, het staat voor een maatschappijbeeld waarvan ik mij afvraag of dat niet door steeds minder mensen wordt gedeeld. De tweede opgave (energie) leunt uitsluitend op de aanbodkant van de energiemarkt en vergeet daarbij onder meer drie dringen: de ontwikkeling van de vraag (besparen, beter benutten en eigen initiatief), het zinnige ontwerpprincipe om de productie van duurzame energie ruimtelijk te accommoderen in de nabijheid van de grootste energievragers (ik zou zeggen: zet die windmolens in het Groene Hart in plaats van in de Veenkoloniën) en de technologie (opgave 6). De derde opgave (water) refereert aan een tweedeling tussen beleidsdomeinen, die nu al nauwelijks meer bestaat (de geschiedenis ervan beslaat immers al enkele decennia), vergeet de drinkwatervoorziening en onderschat de ruimtelijke impact van adaptatie. Ook wordt bij deze opgave voor de eerste keer in het Manifest naar voren gebracht dat dit vraagt om een samenhangende en gebiedsgerichte aanpak van overheden, markt en gebruikers, terwijl goed beargumenteerd kan worden dat juist deze opgave vraagt om een strakke en strenge rijksaanpak. De vierde opgave (landbouw) wordt in het Manifest wel erg modieus en eenzijdig aangekleed. Landbouw moet circulair, zonder footprint en kennisgericht. Leuk, maar laten we dan ook serieuze pogingen blijven doen om een deel van de wereldbevolking te blijven voeden. Dat kan ook door substantiële gebieden in ons land opnieuw in te richten (en niet passende functies uit te plaatsen) met het oog op het mondiale voedselvraagstuk. Opgave 5 (gezondheid) koppelt wel heel verschillende zaken aan elkaar alsof we op thuiszorg kunnen bezuinigen door straten anders in te richten (en kennelijk is zorg alleen een stedenbouwkundig probleem in oude steden). Opgave 6 (technologie) noemt wel een aantal technische dingen, maar niet de eventuele problemen waar die dingen een oplossing voor zouden kunnen vormen. Tot slot rept opgave 7 (hergebruik) vooral over een verkeerde bouwcultuur. Daar gaat het volgens mij niet alleen om. Het is veel meer een zaak van kosten (verdienmodel), marktvraag (doelgroepen), locatie (relaties) en groeiend volume (m2). Sloop wordt niet genoemd, noch het feit dat we tot 2040 rekening moeten houden met vrijkomend aanbod van babyboomers (PBL, 2013). Het PBL verwacht een vrijkomend aanbod (niet alleen in de steden overigens) van zo’n 90.000 woningen per jaar, wat meer is dan wat in de afgelopen 15 jaar in Nederland jaarlijks aan nieuwbouw is gerealiseerd. Het Manifest onderschat daarmee de volumes en dus ook de effecten die daarvan zullen uitgaan op de omgeving (verpaupering, no go areas?). Eerder dan aan de noodzaak van een deltaprogramma voor energie (opgave 2) denk ik in dit verband aan de urgentie van een nationaal programma voor stads- en dorpsvernieuwing, mede in relatie tot de grote en blijvende groep kansarmen, vertrekkers uit krimpgebieden en asielzoekers met of zonder een verblijfsstatus.

Tot zover de 7 opgaven. In het lijstje mis ik onder andere nog de ruimtelijke impact van groeiende dualisering in de samenleving (nieuwe vormen van segregatie tussen arm/rijk, blank/gekleurd, christen/moslim e.d.). Ook weet ik niet waar de opkomende maakindustrie is gebleven. De hippe trend van bezit naar gebruik (nu kilometers en lichturen, straks ook woningen en werkplekken?) wordt niet genoemd. Bovendien mis ik (zoals altijd) de veranderende opgaven die verband houden met onze specifieke plaats en ligging in Noordwest Europa.

Geeft het Manifest nu voldoende vertrouwen dat op grond hiervan de basiscondities voor iedereen in dit land voldoende worden gehonoreerd zodat ieders capaciteiten zo goed mogelijk tot hun recht kunnen komen? Ik zou liegen als ik zeg dat ik niet twijfel. Hoewel ik verklaard voorstander ben van samenwerking en cocreatie, bekruipt mij –als ik de vijf polderprincipes op mij laat inwerken- wel de kriebel dat ik hoop dat spoedig iemand opstaat om gewoon aan de slag te gaan (vgl. het miljardairsinitiatief in verband met klimaatverandering).

Mijn derde punt tot slot gaat over een complex vraagstuk dat helemaal niet genoemd wordt in het Manifest, maar misschien wel de belangrijkste opgave is. Dat is het opschonen en integreren van zo’n 80 sectorale visies en beleidsplannen in één overkoepelende nationale Omgevingsvisie. Dat lijkt mij een tour de force, temeer daar de onderliggende opgave is dat de ruimtelijke ordening niet alleen de regie over de inrichting van ons land terugwint op de verschillende sectoren, die er in de afgelopen decennia – ieder vanuit hun eigen belang- mee aan de haal zijn gegaan, maar ook dat de nationale ruimtelijke ordening voor sommige vraagstukken moet gaan aansturen op recentralisatie. Dat brengt mij terug bij mijn eerste punt van twijfel, de verdeling van verantwoordelijkheid tussen burger en overheid. In mijn ogen zou de mooiste nationale Omgevingsvisie een document zijn dat bevordert dat burgers, organisaties en professionals verantwoordelijk kunnen zijn voor probleemoplossing door het opheffen van belemmeringen, het honoreren van verscheidenheid en het voorzien in arrangementen voor zwakke belangen.

 

Peter Heerema

1 december 2015

1 Reacties

  • 2015-12-05 13:34:37
    Riet Dumont
    procesregisseur ruimte provincie Gelderland

    Dag Peter, altijd fijn als vrijdenkers een shockproof toepassen op onze doelen en ambities. Ons, want ja, ik heb wel ondertekend. Niet omdat ik het met elke bewering dan wel ambitie eens ben. Wel omdat ik in het jaar dat ik intensief heb meegedaan, overtuigd ben dat we het goede gesprek voeren. Natuurlijk, dit is een tussenstand. Niet voor niets pleit Yves de Boer (vz stuurgroep) net als ik voor ruimtelijke activering. proactief inspelen op de (ruimtelijke gevolgen van) transities die gaande zijn, waarvan we niet kunnen voorzien welke disrupties er nog komen (Wim de Ridder, futuroloog). We weten meer niet dan wel. Dus is deze community zo belangrijk om in gesprek te blijven en elkaar te blijven opzoeken om gaandeweg werkende oplossingen te vinden voor opgaven die we nu nog niet kennen.

    Ik zie dat je passages uit de tekst met elkaar hebt verbonden, waardoor ze een ander beeld geven dan bedoeld. Een paar kanttekeningen van mijn kant.

    Verantwoordelijkheden. Er wordt gepleit om die scherper neer te zetten. En ja, de crux zit hem nu net in de balans tussen vasthouden en loslaten. Dat vraagt vertrouwen en lef van de verantwoordelijke partners. Kom anders 15/12 naar de tafel waar mijn gedeputeerde Josan Meijers de Gelderse stijl van governance bespreekt. Met de goede resultaten die dat oplevert. Kortweg gaat het over het samen met partners in cocreatie maken van de Gelderse Omgevingsvisie/verordening met heldere kaders (speelveld, spelregels) waardoor initiatiefnemers weten waar ze aan toe zijn (duidelijkheid bevordert initiatieven, mensen willen weten waar ze aan beginnen en wat hun boven het hoofd hangt). Daarbinnen zo veel mogelijk speelruimte. Dus niet dichtregelen zoals jij schrijft. Juist niet. Omdat we als provincie besefffen dat de praktijk anders kan uitpakken dan wij kunnen voorzien, zijn we ook bereid in voortgaande dialoog met partners knellende regels alsnog te herzien. Omdat dit ook de lijn is van het manifest 2040, is onze aanpak in het manifest opgenomen als vernieuwende beroepspraktijk. De lijn is écht anders dan jij er uit leest.

    Het open gesprek over waarden heeft het afgelopen jaar aan alle tafels plaatsgevonden. Niet voor niets is het motto van het JvdR " betekenisvolle verbindingen die maatschappelijke meerwaarde opleveren." Juist omdat we weg willen van de huidige kwantitatieve insteek gebaseerd op cijfers en geld naar een kwalitatieve insteek vanuit betekenisgeving en kwaliteit van leven. Wij, is iedereen in Nederland. Ik ben de eerste die toegeeft dat we nog te veel met overheden en vakspecialisten praten en dat we beter ons best moeten doen ook ondernemers en burgers rechtstreeks in het gesprek te betrekken. 

    Ons adagium is : je doet mee of je doet niet mee. Juist dat heeft het afgelopen jaar hevige discussies opgeleverd over de politieke basiscondities. De grondwettelijke zorgplicht van de overheid. Onder meer over het beschermen van burgers die in de verdrukking zitten of het gewoon niet in zich hebben actief burger te zijn. Want die mis je dan. Een lastig dilemma: de verdelende rechtvaardigheid die nu wordt gehanteerd, leidt te vaak tot halfslachtige oplossingen omdat elke burger, lees kiezer, tevreden gehouden moet worden. Noodzakelijke maatregelen blijven dan uit. Wat noodzakelijk is heeft dan alles te maken met die basiscondities. Denk bv. aan bereikbaarheid van zorg voor hulpbehoevenden in krimpregio's zoals de Achterhoek. Met het huidige uitvoering van de decentralistie in de zorg vrees ik dat heel wat mensen onder de streep schieten, zorgbehoevenden én zorgverleners aan de basis.

    Echter anticiperen op een disruptieve ontwikkeling vraagt om een trendbreuk ook in onze aanpak. Voorlopers moeten een kans krijgen werkende oplossingen te bedenken en daarbij maatwerk te bieden, opdat zij die daar niet zo handig in zijn, straks ook kunnen meeprofiteren (zoals voeden wereldbevolking). Dus geven we burgers die een lokale Gebieds-/energiecoöperatie beginnen, MKB-ers/ZZP-ers (start-up)subsidie. Daar waar de energie zit begin je, om de succes vervolgens beschikbaar te maken voor anderen. Aan de andere kant zetten we onze (beroeps)kennis van bv. WUR, Noviotechcampus RU Nijmegen en HAN (Food, Hightech, Health) in om de wereldbevolking ook straks nog te kunnen voeden. Onze ROC's leiden vakmensen op voor nieuwe beroepen (digitalisering/robotisering) zoals omgaan met 3D-printen. 

    Wat betreft de opgaven heb je, zoals ik al aangaf gelijk. We zitten nog dicht aan tegen wat we al kennen. Disruptieve veranderingen zijn nu eenmaal niet goed te overzien in hun uitwerking. Vandaar ook de filosofie van meebwegen met veranderingen. Proberen in te schatten wat het gaat doen. Wat jij aangeeft is natuurlijk ook door ons besproken. In de uitgebreidere versie van het manifest dat 15/12 wordt uitgereikt zie je dat ook terug. De kunst is juist om zaken niet dicht te timeren, maar voor de langere termijn alle ruimte te laten om in te spelen op het onbekende en tegelijkertijd nu al te doen wat nodig is vanuit gedeelde beelden van urgentie en waarden. 

    Hoe moeilijk het vastgoedvraagstuk is in relatie tot toekomstige behoeftes van burgers en bedrijven, kun je ook meebespreken aan de tafel van Josan. Vooralsnog is de Pavlov-reflex van (lokale)overheden en vastgoedinvesteerders/eigenaren (behoud rechten, hoop op verzilveren investeringen waar afboeken bittere noodzaak is) nog een barrière voor werkende oplossingen. Dan moet je aan de ene kant hard zijn: geen ruimte voor nieuwe uitleglocaties en aan de andere kant flexibel als het gaat om transformatie van bestaand vastgoed. Omdat het zo lastig is hebben we daar in Gelderland een apart programma voor gemaakt ' Steengoed benutten'. 

    Wat betreft de maakindustrie die je mist. Nederland Productieland is inderdaad een magere paragraaf. Zoals ik al zei, het is moelijk ondenemers aan tafel te krijgen, die zijn nl. aan het ondernemen en MKB-ers waren de afgelopen jaren aan het overleven. We hebben dat vanuit het JvdR enigszins proberen recht te trekken door ter inspiratie zoveel mogelijk nieuwe praktijken (verborgen kampioenen) in beeld te brengen op een digitale kaart die op 15/12 ook de lucht in gaat. Gelderland is sterk in de innovatieve maakindustrie, dus uit onze provincie zie je mooie voorbeelden zoals Stexfibers op het onlangs met de Gouden Piramide gehonoreerde `Industriepark Kleefse Waard (IPKW) in Arnhem. 

    Je derde punt bevreemdt mij. Het ministerie van IenM is daar nu net mee bezig. In het kader van de Omgevingswet die, dacht ik ca. 60 wetten/regelingen in zich verenigt, is nu gestart met de Nationale Omgevingsagenda 2016 (NOA) en Nationale Omgevingsvisie (NOVI) waarmee straks ca. 80 sectorale visies geintegreerd worden tot één visie voor de fysieke leefomgeving (dus niet alleen RO, maar juist het totale pakket van maatregelen die bijdragen aan versterking van de kwaliteit van de leefomgeving (ook veilgheid, gezondheid, duurzaamheid, fysieke en digitale bereikbaarheid ook op het plattland etc.) met aandacht voor het sociale domein/leefbaarheid. Maar dat wist je wellicht nog niet. 

    Groet, Riet